Wat is het objectivisme?

Originele tekst is van Craig Biddle gepubliceerd in The Objective Standard: https://theobjectivestandard.com/what-is-objectivism/. Vertaald door Anis Benhayyoun

Er wordt vandaag de dag breed geloofd dat onze morele, culturele en politieke keuzemogelijkheden zijn beperkt tot hetzij de denkbeelden van seculier, relativistisch links, dan wel die van religieus, absolutistisch rechts, of tot een mengsel van die twee. Met andere woorden: de denkbeelden die men heeft, zijn kennelijk uiterst „liberaal” dan wel uiterst „conservatief” of ergens daartussenin. Ayn Rands filosofie, het objectivisme, verwerpt deze schijnkeuze en biedt een geheel andere kijk op de wereld.

Het objectivisme is volledig seculier en absolutistisch; het is noch liberaal, noch conservatief, noch ergens daartussenin. Het erkent en ondersteunt de seculiere (deze-wereldlijke) bron als de aard van morele beginselen en de seculier morele grondslagen van een volledig vrije, volledig beschaafde maatschappij.

Moreel bepleit het objectivisme de deugden van rationeel eigenbelang – deugden zoals onafhankelijk denken, productiviteit, rechtvaardigheid, eerlijkheid en eigen verantwoordelijkheid. Cultureel bepleit het objectivisme: wetenschappelijke ontwikkelingen, industriële vooruitgang, objectief onderwijs (tegenover „progressief” of vanuit het geloof), romantische kunst – en bovenal eerbied voor het vermogen dat al deze waarden mogelijk maakt: de rede.

Politiek bepleit het objectivisme: zuiver, laissez-faire kapitalisme – het maatschappelijke stelsel van individuele rechten en een strak beperkte overheid – samen met het hele morele en filosofische stelsel waar het van afhangt.

Rand heeft het objectivisme beschreven als „een filosofie voor het leven op aarde”. De rede dat het een filosofie is voor het leven op aarde, is dat ieder beginsel ervan wordt afgeleid van de waarneembare feiten van de werkelijkheid en de aantoonbare vereisten van het menselijk leven en geluk.

Als filosofisch stelsel omvat het objectivisme: een kijk op de aard van de werkelijkheid, op de kenmiddelen van de mens, op de aard en de overlevingsmiddelen van de mens, op een geschikte moraal, op een geschikt maatschappelijk stelsel en op de aard en waarde van de kunst. Haar filosofie heeft Rand weergegeven in haar vele fictie- en non-fictieboeken, zoals The Fountainhead, Atlas Shrugged, Philosophy: Who Needs It, The Virtue of Selfishness, Capitalism: The Unknown Ideal, en The Romantic Manifesto.

Het objectivisme omvat heel veel – veel meer dan kan worden behandeld in een boek, laat staan in een artikel. Bovendien kan ik of wie dan ook – behalve Rand – niet voor het objectivisme spreken; de filosofie is precies het in haar werken uiteengezette gestel van de filosofische beginselen. Wat volgt is dus een tot het wezenlijke teruggebrachte indikking van het objectivisme zoals ik het zie. Zijn er fouten in de weergave, dan komen die van mijn kant.

De aard van de werkelijkheid

Het objectivisme vat de werkelijkheid op als een volstrektheid [iets absoluuts] – feiten als feiten, ongeacht wat iemand hoopt, vreest of verlangt. Er bestaat een van onze geest onafhankelijke wereld waarmee ons denken overeen moet komen indien onze denkbeelden waar dienen te zijn en dus van uitvoerbaar nut om ons leven leiden, onze waarden te volgen en onze rechten te beschermen.

Het objectivisme verwerpt zodoende het denkbeeld dat de werkelijkheid uiteindelijk wordt bepaald door een persoonlijke mening of een maatschappelijke overeenkomst of een „goddelijk gebod”. Denkbeelden of overtuigingen van een individu maken de werkelijkheid niet tot wat ze is, noch kunnen ze er rechtstreeks iets aan veranderen; óf ze stroken met de feiten, óf niet. Iemand denkt misschien dat de zon om de aarde draait (sommigen denken dat); dat laat het niet zo zijn.

Eveneens hebben de maatschappelijk of cultureel aanvaarde denkbeelden of normen geen uitwerking op de aard van de werkelijkheid; ze voegen zich naar de feiten van de werkelijkheid, of niet. Sommige culturen houden vol dat de aarde plat is, dat slavernij goed is, en dat vrouwen aan mannen geestelijk ondergeschikt zijn. Zulke overtuigen veranderen niet de aard van dat wat is; ze spreken het tegen; ze zijn fout.

Wat het vermeende bestaan betreft van een „bovenaards” wezen dat de werkelijkheid schept en beheerst: zoiets wordt door geen bewijs of rationeel argument onderbouwd. De dingen in de aard van wat er is, kunnen alleen het bewijs zijn voor dingen in de aard van wat er is (zoals bijvoorbeeld het fossiele bewijs is voor evolutie). Ze kunnen geen bewijs zijn voor dingen „buiten de aard” van wat er is, of „boven de aard” van wat er is, of „voorbij aan de aard” van wat er is. De aard van wat er is, is alles wat er is; het is de som van dat wat bestaat. Iets „buiten de aard” van wat er is, zou „buiten het bestaan” zijn – dat wil zeggen: onbestaand. De aard van wat er is, bewijst het bestaan van een „bovenaard” niet. Er is geen bewijs voor het bestaan van een „bovenaards” wezen; er zijn enkel boeken, overleveringen en mensen die zeggen dat hij bestaat. Bewijsvrije beweringen, een beroep op overlevering en een beroep op gezag zijn geen rationele argumenten; het zijn schoolvoorbeelden van drogredenen.

Noch individuele overtuigingen, noch wijdverbreide overeenstemming, noch de wil van een „bovenaards” wezen heeft enige uitwerking op de aard van de wereld. De werkelijkheid wordt niet geschapen of beheerst door het bewustzijn. De werkelijkheid is gewoon wat het is. Het bestaan bestaat gewoon – en alles erin is iets in het bijzonder; alles is wat het is en kan alleen handelen in overeenstemming met zijn identiteit. Een roos is een roos; ze kan bloeien; ze kan niet spreken. Een dictatuur is een dictatuur; ze vernietigt het leven; ze kan het leven niet bevorderen. Geloof is geloof (d.w.z. in de afwezigheid van bewijs denkbeelden te aanvaarden); het leidt tot ongegronde overtuigingen; het kan geen kennis verschaffen.

In uitvoering betekent dit punt dat, als mensen hun doelen willen behalen – zoals kennis vergroten, rijkdom vergaren, geluk bereiken, vrijheid instellen en behouden, moeten ze de aard van het bestaan erkennen en omarmen. De werkelijkheid buigt niet voor onze verlangens; wij moeten ons aan haar wetten houden. Als we kennis willen, moeten we de werkelijkheid in acht nemen en nadenken; als we rijkdom willen, moeten we het produceren; als we van het leven willen genieten, moeten we denken, plannen en overeenkomstig handelen; als we vrijheid willen, moeten we de oorzaak ervan thuisbrengen en ernaar handelen. Zulke doelen kunnen we niet behalen door te wensen, te stemmen of te bidden.

Kenmiddelen van de mens

Het objectivisme vat de rede – het vermogen dat langs de weg van waarneming en logica werkt – op als het middel tot kennis van de mens. De mens verkrijgt kennis door: de werkelijkheid met zijn vijf zintuigen waar te nemen; op grond van wat hij waarneemt begrippen en beginselen te vormen; zijn denkbeelden na te kijken op samenhang met de werkelijkheid; en elke tegenstelling die hij in zijn denken ontdekt, te verbeteren. Zo ontdekken wetenschappers feiten in hun verscheidene gebieden, van de beginselen van de landbouw tot het bestaan van atomen, tot de samenstelling van het DNA; zo ontwerpen uitvinders en ingenieurs levens verbeterende machines en toestellen, van auto's tot hartpompen tot muziekspelers; zo stellen zakenlieden manieren in om goederen te produceren en te leveren, van koelkasten tot films tot draadloze internetverbindingen; zo stellen artsen diagnoses en genezen (of behandelen) ze ziekten, van polio tot sikkelcelanemie, tot borstkanker; zo leren kinderen taal, wiskunde en om zich te gedragen; zo ontdekken filosofen de aard van het heelal, de aard van de mens, en de geschikte moraalbeginselen, politiek en esthetiek. De rede is het middel waarmee iedereen over de wereld, zichzelf, en zijn behoeften leert. Menselijke kennis – alle menselijke kennis – is een product van de zintuiglijke waarneming en logische gevolgtrekking daaruit.

Het objectivisme verwerpt zodoende alle vormen van mystiek – het denkbeeld dat kennis kan worden verkregen door middel van niet-zintuiglijke, niet-rationele middelen (zoals geloof, intuïtie, paragnosie of elke andere vorm van „gewoon weten”). Het objectivisme verwerpt eveneens het scepticisme – het denkbeeld dat kennis onmogelijk is, dat het op geen enkele manier kan worden verkregen. De mens kan klaarblijkelijk kennis verkrijgen, heeft dit gedaan en blijft dit doen; het feit van wat hij allemaal volbracht heeft, toont dit duidelijk aan.

Kortom, de mens heeft een middel tot kennis; het is de rede – en alleen de rede. Als mensen willen weten wat waar of goed of juist is, moeten ze de werkelijkheid in acht nemen en logica gebruiken.

De aard van de mens en zijn overlevingsmiddelen

Het objectivisme is van opvatting dat de mens vrije wil heeft – het vermogen om te denken of niet te denken, om de rede wel te gebruiken of niet, om feiten te volgen of gevoelens. Een persoon hoeft de rede niet te gebruiken; de keuze is aan hem. Wat een individu ook kiest, het blijft echter een feit dat de mens een rationeel dier is; de rede is zijn enig kenmiddel en dus in de kern zijn overlevingsmiddel. Een persoon die de rede weigert te gebruiken kan niet leven en opbloeien.

De mens overleeft door de werkelijkheid in acht te nemen, de aard van de dingen te identificeren, oorzakelijke verhoudingen te ontdekken, en de logische verbindingen te leggen die nodig zijn om de dingen te produceren die hij nodig heeft om te kunnen leven. Voor zover een persoon voor het gebruik van de rede kiest, kan hij de voor zijn overleving en geluk benodigde dingen thuisbrengen en nastreven – dingen zoals kennis, voedsel, onderdak, medische zorg, kunst, ontspanning, romantiek en vrijheid. Voor zover een persoon niet voor het gebruik van de rede kiest, kan hij deze vereisten niet identificeren of nastreven; of hij sterft of hij leeft als parasiet op de geestesvermogens van anderen die wel voor het gebruik van de rede kiezen. In elk geval is de rede het belangrijkste overlevingsmiddel van de mens, en de vrije wil – de keuze om de rede al dan niet te gebruiken – is het afwijzen van zijn aard.

Het objectivisme verwerpt zodoende de opvatting dat de aard van de mens inherent corrupt is (d.w.z. het denkbeeld van „de erfzonde”, of de Hobbesiaanse kijk op de mens als een bruut), wat zijn persoonlijkheid noodzakelijk verdorven of barbaars maakt. Het objectivisme verwerpt ook het denkbeeld dat de mens in het geheel geen aard heeft, (d.w.z. de verdraaide, moderne uitlegging van de mens als een „onbeschreven blad”), wat zijn karakter het gevolg maakt van maatschappelijke krachten, zoals opvoeding en economische omstandigheden. Het karakter van een persoon is niet inherent slecht en ook niet het voortbrengsel van maatschappelijke krachten; het is juist een gevolg van zijn keuzes. Als een individu ervoor kiest om feiten onder ogen te zien, rationeel te denken, productief te zijn, enzovoort – en daardoor een goed karakter ontwikkelt – is dat zijn verworvenheid. Als een individu ervoor kiest om feiten niet onder ogen te zien, niet te denken, niet te produceren, enzovoort – en dus een slecht karakter ontwikkelt – is dat zijn fout.

De mens heeft vrije wil en dit feit geeft aanleiding tot zijn behoefte aan een moraal: een handvest van waarden om zijn keuzes en daden te sturen.

Een geschikte moraal

Het objectivisme is van opvatting dat de zin van een moraal is mensen te voorzien van beginselvaste bron om op aarde geluk te verwerven en te leven. De juiste maatstaf van morele waarde is het mensenleven – wat betekent: de feitelijke, zo door zijn aard bepaalde vereisten voor zijn leven. En omdat mensen individuen zijn, elk met zijn eigen lichaam, zijn eigen geest, zijn eigen leven, heeft deze maatstaf betrekking op mensen als individuen (niet als een cel in een utilitair collectief). Volgens dit beginsel is het goede dat wat het leven van een individu steunt of bevordert; het kwaad is dat wat het tegenwerkt of vernietigt. Moreel zijn houdt in dat men de noodzakelijke handelingen neemt ter instandhouding en bevordering van het eigen leven – handelingen als rationeel denken en toekomstplannen maken, eerlijk zijn en integriteit hebben, goederen of diensten produceren en deze met anderen verhandelen, rationeel over mensen oordelen (volgens de ter zake doende feiten) en ze overeenkomstig behandelen, enzovoort. Kortom, het objectivisme stelt dat moreel zijn bestaat in rationeel eigen batig of egoïstisch te zijn.

Rationeel egoïsme, het middelpunt van het objectivisme, stelt dat elk individu naar zijn eigen, beste belang dient te handelen en de begunstigde van zijn eigen morele handelingen is. Dit beginsel is de erkenning van het feit dat mensen, om te kunnen leven, moeten handelen in het eigenbelang en er de baten van moeten oogsten. Het menselijk leven vereist egoïsme. (Ik gebruik „rationeel egoïsme” en „egoïsme” door elkaar om redenen die duidelijk zullen worden.)

Het objectivisme verwerpt zodoende de moraal van het altruïsme – het denkbeeld dat moreel zijn bestaat in anderen te dienen door zelfopoffering (of het nu gaat om de armen, het zogenamde algemene welzijn, moeder natuur of God). Het objectivisme verwerpt ook het denkbeeld dat roofgedrag – het opofferen van anderen voor het eigen vermeende voordeel – het eigen leven en geluk kan bevorderen. En het objectivisme verwerpt het hedonisme – het denkbeeld dat moreel zijn erin bestaat te handelen op een of andere wijze waar men genot uit verschaft (of te doen waar men zin in heeft).

Neem nu eerst het altruïsme.

Het altruïsme is, in tegenstelling tot de wijdverbreide misvatting, niet de moraal van „aardig zijn voor mensen” of „dingen doen voor anderen”; het is eerder de moraal van zelfopoffering, dat wil zeggen, anderen dienen ten koste van waarden die het eigen leven dienen. Het grondbeginsel van altruïsme is dat teneinde moreel te zijn, een handeling onzelfzuchtig moet zijn: voor zover een persoon onzelfzuchtig handelt, is hij moreel; voor zover dat niet doet, niet. Als hij een waarde opgeeft zonder ook maar iets te verkrijgen, is hij moreel; als hij waarde verkrijgt uit zijn handeling, is hij niet moreel. Als, bijvoorbeeld, een maatschappelijk vrijwilliger zijn tijd en moeite weggeeft in ruil voor niets, dan is hij moreel. Als een softwareontwikkelaar een product maakt waar mensen van houden, en het voor winst met hen verhandelt, is hij niet moreel. Dat zegt het altruïsme. Dat zegt het egoïsme niet.

Het egoïsme, dat ook op grote schaal verkeerd wordt uitgelegd, is niet de moraal van „mensen in de rug steken om te krijgen wat men wil” of „vanuit de ongebreidelde verlangens handelen.” Dit zijn karikaturen van het egoïsme, die door de vertegenwoordigers van het altruïsme worden voorgehouden om mensen te laten geloven dat jezelf opofferen of anderen opofferen de enige alternatieven zijn. Dit zijn, volgens het objectivisme, niet de enige alternatieven.

Het egoïsme is de moraal van offer loos handelen; het verwerpt alle vormen van menselijke opoffering – zowel zelfopoffering als de opoffering van anderen – in beginsel. Het stelt dat moreel zijn bestaat in het rationeel nastreven van de eigen levens bevorderende waarden, niet zichzelf opofferen aan anderen, noch anderen opofferen aan zichzelf.

Het egoïsme staat voor het beginsel van de offerloosheid – het denkbeeld dat men nooit een grotere waarde moet opgeven omwille van een mindere. Dat beginsel is de erkenning van het feit dat het opgeven van de vereisten voor het eigen leven en geluk, vijandig is naar het eigen leven en geluk. Natuurlijk vereist het leven dat mensen regelmatig mindere waarden laten varen omwille van grotere; dit zijn echter winsten, geen offers. Een offer is wanneer men iets dat meer belang heeft voor het eigen leven en geluk opgeeft omwille van iets dat minder belang heeft voor het eigen leven en geluk; de uitkomst is een nettoverlies.

Om te leven, moeten mensen waarden nastreven, niet opgeven. Voor zover een persoon de aan het leven dienende waarden nastreeft en die weigert op te offeren, handelt hij dus, volgens het egoïsme moreel; voor zover hij dat niet doet, handelt hij niet moreel. Als hij waarden produceert en ze met anderen verhandelt voor winst (materieel dan wel geestelijk), is hij daardoor moreel; hij wint waarden waar zijn leven en geluk van afhangen. Als hij zijn waarden weggeeft zonder enige winst (materieel noch geestelijk), is hij daardoor immoreel; hij doet afstand van waarden waar zijn leven en geluk van afhangen.

Vanuit dit oogpunt is een softwareontwikkelaar die zijn product met anderen verhandelt met winstoogmerk, daardoor moreel. Een maatschappelijk vrijwilliger die zijn tijd en moeite weggeeft voor niets, is daardoor immoreel. Een ouder die de opleiding van zijn kind meer waardeert dan een nieuwe sportwagen, en die de wagen laat varen om voor de opleiding te kunnen betalen is eveneens moreel; een ouder die de opleiding meer waardeert dan de wagen, maar de betaling voor de opleiding laat varen om de wagen aan te schaffen, is immoreel. Een soldaat die voor vrijheid vecht op die grond dat zonder vrijheid het leven het niet waard is („Geef me vrijheid, of de dood!”) is evengoed moreel; een die vecht uit gehoorzaamheid aan de bevelen van een vermeend „bovennatuurlijk” wezen, is dat niet. Enzovoort.

Er is een zwart-wit verschil tussen waarden verhandelen voor winst en waarden opgeven voor niets. Het egoïsme roept op tot het eerste, het altruïsme tot het tweede.

Het egoïsme is gegrond op, en afgeleid van de vereisten van het menselijk leven op aarde; zodoende kunnen mensen het standvastig uitoefenen en moeten ze dat doen – als ze willen leven en het beste van hun leven willen maken. Het altruïsme kan niet standvastig worden uitgeoefend. Een persoon die de moraal van altruïsme aanvaardt, moet valsspelen alleen al om in leven te blijven; hij moet bijvoorbeeld eigen batig loon verdienen om voedsel te kunnen kopen.

Gezien de vele waarden waar het menselijk leven en geluk van afhangen – van fysieke waarden zoals voedsel, onderdak, kleding, medische zorg, auto's en computers tot geestelijke waarden zoals kennis, zelfwaardering, kunst, vriendschap, romantische liefde, en vrijheid –, hebben mensen behoefte aan heel wat leiding bij het maken van keuzes en ondernemen van handelingen. Ze hebben morele beginselen nodig die bevorderlijk zijn voor het doel van volledig en gelukkig leven. Ten antwoord aan deze behoefte voorziet het egoïsme in een heel stelsel van geïntegreerde, niet-tegenstrijdige beginselen, waarvan het enige doel is de mens te leren leven en genieten. Ten antwoord op dezelfde behoefte zegt het altruïsme: wees niet zelfzuchtig; offer uw waarden op; geef uw behoeften op. Als mensen willen leven en gelukkig willen zijn, kan slechts één moraliteit dat waarmaken.

Het altruïsme is niet goed voor iemands leven. Indien standvastig aanvaard en beoefend, leidt dit tot de dood. Hetgeen Jezus heeft gedaan. Indien onstandvastig aanvaard en beoefend, vertraagt dit het eigen leven en leidt dit tot schuldgevoelens. Hetgeen de meeste altruïsten doen. Een altruïst gaat mogelijk niet dood aan zijn moraal – zolang hij het maar verloochent – maar hij zal ook niet ten volle leven. Voor zover een persoon handelt in strijd met de vereisten van zijn leven en geluk, zal hij niet het beste uit zijn leven halen; hij zal niet het soort geluk verwerven waartoe de mens in staat is.

Het egoïsme is goed voor iemands leven. Standvastig aanvaard en beoefend, leidt het tot een gelukkig leven. Onstandvastig aanvaard en beoefend – nou, er is geen reden om hierin onstandvastig te zijn. Waarom geen gelukkig leven leiden? Waarom zou je bovendien offers brengen? Welke reden is er om dit te doen? In de hele geschiedenis van de filosofie is het aantal rationele antwoorden op deze vraag precies nul.

Er is geen reden om op een zelfopofferende wijze te handelen; daarom heeft niemand er ooit een aangedragen. Ook is er geen enkele rationele rechtvaardiging om anderen op te offeren; daarom heeft ook niemand er ooit een aangedragen.

Jachtgedrag (het opofferen van anderen voor iemands eigen vermeende voordeel) is niet eerder in het eigen hoogste belang dan het altruïsme. Geluk is, zoals alles in de wereld, iets specifieks; het heeft een aard. Geluk is de geestelijke toestand die volgt uit het geslaagd nastreven van rationele waarden ten dienste van het leven. Echt geluk ontstaat door waarden te verwerven, niet door ze te stelen; door rationeel te denken en productief te zijn, niet door de geest in de steek te laten en een parasiet op het denkwerk en de inspanningen van anderen te worden; door romantiek te verdienen en hartstochtelijke liefde te bedrijven, niet door mensen te verkrachten. Willens en wetens een parasiet worden op het mentale vermogen, inspanningen en lichamen van anderen – zich bewust terugbrengen tot de staat van een onmenselijk wezen – is het hoogst onbaatzichtige wat men kan doen. Dat prooi-jagers ervoor kiezen dit feit te negeren of te ontkennen, zondert hen er niet van uit. Net zoals de zon niet rond de aarde draait (ongeacht wat men gelooft), kan een persoon ook geen geluk verwerven door andere mensen op te offeren (ongeacht wat hij beweert).

De uitingen van prooi-jagers dat zij geluk kunnen verwerven door anderen op te offeren, zijn precies dat: uitingen. Ze zijn niet op bewijsstukken gegrond (de vluchtige glimlach van een misdadiger en gestolen geld zijn geen bewijsstukken van zijn geluk). Ze bewijzen niets (het bewijs is een logische gevolgtrekking op grond van bewijsstukken). Bovendien spreken zulke beweringen botweg het aantoonbare feit tegen dat rationeel denken, productieve verworvenheden, echte (verdiende) eigenwaarde en zekerheid in de eigen morele waarde, de voorwaarden zijn voor geluk.

In een rationele maatschappij zijn de ontwijkingen en beweringen van de prooi-jagers uiteindelijk een kleine zorg voor goede mensen. Zoals ik zal aangeven in het deel over politiek, heeft een rationele maatschappij een doeltreffend middel om op een geschikte wijze met zulke wezens om te gaan.

Ten slotte wat de moraliteit van het hedonisme betreft: enkel omdat iemand ergens genot uit haalt of zich er goed bij voelt, betekent dat niet dat het zijn beste belang dient. Daarom moedigen rationele ouders hun kinderen aan om na te denken voor ze handelen, te erkennen dat keuzes gevolgen hebben die verder gaan dan het onmiddellijke moment, de levensvereisten voor de lange baan te leren en te omarmen. Het is ook de reden waarom rationele volwassenen niet naar elke drang of verlangen handelen, en waarom zwervers en drugsverslaafden geen gelukkige mensen zijn.

Echt geluk komt eruit voort dat men over de lange baan fysieke en geestelijke levensvereisten verwerft en nastreeft zoals de eigen aard die stelt. Waar, ter begeleiding in het begrijpen en verwerven van deze uiterst samengestelde behoeften, het egoïsme een volledig stelsel van rationele verklaringen en beginselen biedt, zegt het hedonisme: besteed geen aandacht aan je aard of behoeften, doe wat je genot verschaft, doe waar je je goed bij voelt. Hedonisme, met andere woorden, onder het mom van eigenbelang, raadt zelfvernietiging aan.

Het komt allemaal neer op maatstaven. De waardemaatstaf volgens het altruïsme is zelfopoffering. De waardemaatstaf volgens een prooi-jager is bevlieging. De waardemaatstaf volgens het hedonisme is genot of gevoelens. De waardemaatstaf volgens het objectivisme en rationeel egoïsme is de vereisten van het mensenleven.

Naar de maatstaf van het mensenleven dient ieder individu zijn eigen leven te leiden om wille van zichzelf. Hij dient rationeel denken en zijn eigen levens bevorderende doelen na te streven, zoals een mooie carrière, een gepassioneerde romantische relatie, plezierige recreatieve activiteiten, goede vriendschappen, een rationele cultuur en een maatschappelijk stelsel ter bescherming van zijn recht om dat te doen.

Het menselijk leven vereist geen mensenoffers; mensen kunnen leven zonder overgave van hun verstand, hun waarden, hun leven; mensen kunnen leven zonder elkaar te vermoorden, aan te vallen of te bedriegen. Ook kan menselijke offers het menselijk leven of geluk niet bevorderen; het kan slechts uitkomen op lijden en dood. Als mensen willen leven en gelukkig willen zijn, moeten ze zichzelf noch anderen opofferen; ze moeten juist waarden nastreven die het leven dienen en de rechten van anderen om hetzelfde te doen, eerbiedigen. Dit is het grondbeginsel van rationeel egoïsme – en het morele fundament van een geschikt maatschappelijk stelsel.

Een geschikt maatschappelijk stelsel

Op politiek gebied erkent het objectivisme dat om levens bevorderend te handelen, een persoon daartoe vrij moet zijn; hij moet vrij zijn om te handelen naar het oordeel van zijn geest, de grondslag van zijn middel tot leven. Het enige dat hem ervan kan weerhouden zijn andere mensen, en de enige wijze waarop ze hem kunnen stoppen is door middel van fysieke dwang. Dus om vreedzaam samen te leven in een maatschappij – om samen te leven als beschaafde wezens, in plaats van als barbaren – moeten mensen afzien van het gebruik van fysieke dwang tegen elkaar. Dit feit geeft aanleiding tot het beginsel van individuele rechten, wat het beginsel van egoïsme in politieke toepassing is.

Het beginsel van individuele rechten is de erkenning van het feit dat elke persoon moreel een doel op zich is, niet een middel voor de doeleinden van anderen, dus moet hij moreel vrij worden gelaten om naar zijn eigen oordeel te handelen omwille van zichzelf, zolang hij datzelfde recht bij anderen niet schendt. Dit beginsel is geen zaak van persoonlijke mening of maatschappelijke samenloop of „goddelijke openbaring”; het is een zaak van de feitelijke, menselijke levensvereisten in maatschappelijk verband.

Een morele samenleving – een beschaafde samenleving – is er een waarin lichamelijke dwang tegen anderen bij de wet verboden is. En het enige maatschappelijke stelsel waarin zulke dwang dusdanig verboden is – samenhangend en in beginsel – is het zuivere laissez-faire kapitalisme.

Het kapitalisme – dat, anders dan een wijdverbreid misverstand, niet louter een economisch stelsel is – is het maatschappelijke stelsel van individuele rechten, met inbegrip van eigendomsrechten, hetgeen beschermd wordt door een strikt beperkte overheid. In een laissez-faire maatschappij mogen mensen, als ze met elkaar willen omgaan, dat alleen doen op grond van vrijwillige voorwaarden in een ongedwongen overeenkomst. Als ze goederen of diensten van anderen willen, mogen ze voorstellen om waarde voor waarde te ruilen tot wederzijds voordeel; echter mogen ze niet trachten van anderen enige waarde te verkrijgen door middel van lichamelijke dwang. Mensen zijn volledig vrij naar hun eigen oordeel te handelen, en zo hun eigendommen naar eigen inzicht te produceren, te bewaren, te gebruiken, en zich ervan te ontdoen; het enige waarin ze niet „vrij” kunnen zijn, is de schending van rechten van anderen. In een kapitalistische maatschappij kunnen individuele rechten door niemand wetmatig worden geschonden – met inbegrip van de overheid.

In een dergelijk stelsel heeft de overheid als enige zin de individuele rechten van haar burgers te beschermen door middel van de politie (om binnenlandse misdadigers af te handelen), het leger (om buitenlandse aanvallers af te handelen) en de rechtbanken (om geschillen te beslechten). Hoewel de overheid een monopolie heeft op het wetmatig gebruik van dwang, is het grondwettelijk verboden op welke wijze dan ook dwang aanvangend te gebruiken – en is het grondwettelijk verplicht dwang  vergeldend te gebruiken om de rechten van haar burgers te beschermen.

Er wordt de overheid bijvoorbeeld verboden om de eigendommen van onschuldige mensen in beslag te nemen (bijv. onteigening), rijkdommen dwangmatig te herverdelen (bijv. verzorgingsstaat), de voorwaarden van privé overeenkomsten te dicteren (bijv. minimumloon en mededingingsrechten), de vrijheid van meningsuiting in te perken (bijv. regeling partijfinanciering), om moederschap verplicht te stellen (bijv. anti-abortuswetten), om wetenschappelijke vooruitgang te blokkeren (bijv. embryonaal stamcelonderzoek), om burgers te dwingen religieuze organisaties te financieren (bijv. kerksubsidies), en om „gemeenschappelijke” of „landelijke” diensten verplicht te stellen (bijv. verplicht „vrijwilligerswerk”). Tegelijkertijd wordt de overheid verplicht tot afdwinging van wetten tegen moord, aanranding, verkrachting, kindermishandeling, fraude, afpersing, inbreuk op auteursrechten, laster en dergelijke. De regering wordt ook gevraagd af te rekenen met buitenlandse vijanden die dwang gebruiken tegen haar burgers of hun belangen.

Het kapitalisme – niet het hedendaagse stelsel van de Verenigde Staten, maar echt kapitalisme – is het enige maatschappelijke stelsel dat iedereen, de overheid inbegrepen, samenhangend verbiedt mensen te belagen of hun eigendommen te stelen. Het is het enige stelsel dat individuele rechten respecteert en beschermt als onwrikbaar beginsel. Het kapitalisme is met andere woorden het enige stelsel dat maakt dat de menselijke levensvereisten worden ingesteld in maatschappelijk verband. Geen ander maatschappelijk stelsel ter wereld doet dat. Dus, als het mensenleven de morele waardemaatstaf is, is het kapitalisme het enige morele maatschappelijk stelsel.

Door laissez-faire kapitalisme te bepleiten, verzet het objectivisme zich tegen de politiek van het conservatisme – zoals het beeld dat we „op onze broeders moeten passen” en we ons moeten opofferen om vreemden te dienen (bijv. Republikeinse uitkeringsregelingen); het beeld dat succesvolle zakenlieden moeten worden gereguleerd (d.w.z. afdwongen) „in ieder geval tot op zekere hoogte” omwille van de „kleine man” (alsof de zogenaamde kleine man niet in het leven kan slagen door zijn eigen rationele denken); het beeld dat leerlingen op door de overheid bestuurde scholen geïndoctrineerd moeten worden met de theorie van „intelligent design” of dat ze moeten bidden; het beeld dat wetenschappers moet worden verboden om embryonaal stamcelonderzoek uit te voeren terwijl mannen, vrouwen en kinderen lijden aan pijnlijke ziekten die anders misschien genezen zouden kunnen worden („We moeten geen God spelen”) – en dat degenen die aan dergelijke ziekten lijden, moeten worden gedwongen om te „leven” als ze wanhopig willen sterven („We moeten geen God spelen”); het beeld dat het homoseksuelen verboden moet worden om de vreugde van seks te ervaren („God keurt het af”); en het beeld dat het Amerikaanse leger al offerend „de vrijheid” („Gods geschenk aan de mensheid”), of erger onder wildemannen „de democratie” (d.w.z. onbegrensde overheersing van de meerderheid), moet verspreiden in plaats van zelfzuchtig en snel de  grootste vijanden van Amerika te vernietigen („Heb uw vijanden lief”).

Het objectivisme verzet zich eveneens tegen de politiek van het zogenaamde [Amerikaanse] liberalisme – zoals het beeld dat mensen een „recht” hebben dat hen goederen en diensten worden gegeven (wat duidelijk vereist dat iemand gedwongen wordt die te leveren); het beeld dat het overheidsinstanties, particuliere bedrijven en scholen moet worden verplicht om racistisch beleid uit te voeren, zoals „positieve discriminatie” en „diversiteitstraining”; het beeld dat studenten op overheid gestuurde scholen moeten worden geïndoctrineerd met het relativisme dat bekend staat als „multiculturalisme”, of de religie die bekend staat als „milieubewustheid”; het beeld dat mensen moeten worden gedwongen om denkbeelden van kunst te bekostigen die ze afkeuren (bijv. door „publiekelijke” radio of „publiekelijke” subsidies); en het beeld dat Amerika niet het recht heeft om „zich te mengen in” of „westerse waarden op te leggen aan” regimes die verantwoordelijk zijn voor de afslachting van Amerikanen (laat staan ze te vernietigen).

Ten slotte verzet het objectivisme zich nadrukkelijk tegen de politiek van het libertarisme – de anti-intellectuele beweging die beweert voor „vrijheid” te pleiten, terwijl het de morele en filosofische grondslagen waar vrijheid van afhangen klaarblijkelijk wegwuift of ontkent. Vrijheid kan al niet bepaald, laat staan verdedigd, worden los van de antwoorden op vragen zoals: Wat is de aard van de werkelijkheid? Wat zijn de kenmiddelen voor de mens? Wat is de aard van het goede? Wat zijn rechten en waar komen ze vandaan? Om, zoals libertariërs doen, te zeggen dat het „beginsel niet met geweld aan te vangen” een „axioma” is, of dat vrijheid kan worden verdedigd op elke filosofische basis van weleer – of het nu christelijk, joods, islamitisch, boeddhistisch, atheïst, altruïstisch, egoïstisch, subjectivistisch, relativistisch, postmodernistisch is – of helemaal niet, – is gewoon absurd. (Dit wil niet zeggen dat iedereen die zichzelf een libertariër noemt, anti-intellectueel is; het wil vrijheid verdedigen terwijl de intellectuele grondslagen ervan weggewuifd of ontkend worden, anti-intellectueel is.)

In tegenstelling tot conservatisme, „liberalisme” en libertarisme, hangt de vrijheidspolitiek af van de egoïsme-ethiek – die afhangt van de filosofie van de rede – die gegrond is in de grondaard van de werkelijkheid: het feit dat dingen (inclusief mensen) zijn wat ze zijn en alleen kunnen handelen (en leven) in overeenstemming met hun identiteit. De politiek van vrijheid is de politiek van het eigenbelang; het kan niet worden verdedigd met de ethiek van zelfopoffering – of met een filosofie van onrede, onwerkelijkheid of „het bovenaardse” – of helemaal geen filosofie.

Objectivisten zijn geen conservatieven, maar, zoals Rand het uitdrukte, „radicalen voor het kapitalisme” (d.w.z. voorstanders van de wortels of grondslag ervan). Objectivisten zijn geen „liberalen” maar absolutisten voor vrijheid. Objectivisten zijn geen libertariërs, maar fundamentalisten voor vrijheid. Dit komt omdat objectivisten radicalen zijn voor de rede – waarvan de onderbouw bestaat uit de werkelijkheid.

Laten we nu eens kijken naar kunst, wat volgens het objectivisme net als ethiek en politiek berust op een rationele, objectieve onderbouw en een bijzonder levens bevorderend doel dient.

De aard en waarde van kunst

Het objectivisme stelt dat kunst een vereiste is voor menselijk leven en geluk. Kunst is een selectieve herschepping van de werkelijkheid volgens de diepste en grondigste overtuigingen van een kunstenaar – zoals zijn opvattingen over de aard van het heelal, de aard van de mens, wat kenbaar is, wat het belangrijkst is, wat mogelijk is. De zin van kunst is aan zulke diepgaande abstracties lichamelijke vorm te geven, ze hard en waarneembaar te maken, en daarmee mensen een waarneembare weergave te geven van een bepaald denkbeeld of wereldbeeld. Dit stelt mensen in staat een denkbeeld te bestuderen als een lichamelijke werkelijkheid en zo beter te begrijpen wat het in uitvoering betekent. Langs deze weg voorziet kunst in geestelijke brandstof om de eigen waarden te verwerven en ernaar te leven. Zij het een ballerinasculptuur die de menselijk haalbare vaardigheid en sierlijkheid verbeeldt – of een roman over grootse fabrikanten die de menselijk haalbare productieve verworvenheden toont – of een landschapsschilderij dat de wereld als open weergeeft ter onderzoeking en tot genoegen van de mens – of een schilderij van een mistroostige, psychedelische biljartruimte dat de wereld als onstabiel en onbewoonbaar weergeeft voor de mens – kunst brengt uiterst abstracte overtuigingen naar het waarneembare vlak.

Zoals alles in de wereld is kunst iets in het bijzonder; het valt dus zowel te kennen als te bepalen. En, gelijk alles van menselijke makelij, wordt het op gepaste wijze als goed of kwaad beoordeeld met de maatstaf van de menselijke levensvereisten op aarde.

Het objectivisme verwerpt zodoende het denkbeeld dat kunst alles is wat een zelfbenoemde of vermeend „volleerde” kunstenaar toevallig in elkaar flanst of in een galerij plaatst. Noch willekeurig op een doek gespatte verf, noch een vernuftig op een zadel bevestigd fietsstuur, noch een netjes op het blad gedrukte woordsalade is kunst. Zulke dingen zijn geen „slechte” kunst; ze zijn helemaal geen kunst. Kunst is niet het emotioneel uitspuwen van redeloze bevliegingen maar het selectief herscheppen van de werkelijkheid. Aangezien de mens de werkelijkheid slechts door middel van de rede bevat, vergt de schepping van kunst een scherp gebruik van dit vermogen; het vergt denkwerk, aandacht, geestelijke verbindingen, en de omvorming van uiterst abstracte begrippen en waarden naar de stoffelijke en waarneembare werkelijkheid. Dit is niet het gebied van de grappenmakerij; het is het gebied van het genie – en moet als zodanig worden erkend en bewaakt.

Het objectivisme verwerpt ook het denkbeeld dat er binnen het bereik van wat de kunst wel is, geen objectieve toetsstenen bestaan om bepaalde werken als beter te beoordelen dan andere. Zoals elke rechtmatige waarde, is een kunstwerk – zij het een schilderij, sculptuur, roman, film of symfonie – een waarde juist voor zover het sommige levensvereisten van een redelijk wezen dient. Hoewel er binnen het bereik van echte kunst een boel ruimte is voor verschillende smaken, bestaan er binnen dat bereik ook objectief betere en slechtere kunstwerken, beter en slechter naar de maatstaf van rationaliteit en de geestelijke behoeften van de mens.

Bijvoorbeeld: omdat het wezen van de mensenaard is dat hij vrije wil bezit, wordt dat feit weerspiegelt in de beste kunst – romantische kunst; het geeft de mens weer in beheersing over zijn leven, in staat om de wereld te hervormen in overeenkomst met zijn waarden, als de zelfgeschapen ziel die hij is. Laten we als voorbeeld hier een bepaald opzicht van een kunstwerk afzonderen: het onderwerp ervan.  Al het andere gelijk (stijl, compositie, techniek, enz.), zegt een schilderij van een afschuwelijke, van angst schreeuwende vrouw op het dek van een zinkend schip één ding; een schilderij van een mooie vrouw die meesterlijk met een catamaran omgaat op een winderige dag, zegt iets anders. Objectief gesproken hebben twee van dergelijke schilderijen geen „gelijke” waarde; ze dienen het doel van de kunst niet „gelijkwaardig”; en er wordt niet „gelijkwaardig” van genoten door rationele mensen.

Goede kunst is – gelijk alles waar het menselijk leven en geluk nog van afhangt – een product van rationeel denken en scheppende inspanning. Dit is nog een reden om het kapitalisme te omarmen en te bepleiten – en de hele filosofie van de rede waarop het is gegrond. In een rationele, kapitalistische maatschappij zijn kunstenaars volledig vrij om naar eigen inzicht te denken en te scheppen; er staat hun niets in de weg; het recht op vrijheid van meningsuiting wordt als een volstrektheid erkend. Omdat het maatschappelijke beginsel van handel in zo'n samenleving leidend is – en omdat er geen „publiekelijke” bekostiging van kunst is – neigen de kunstenaars die door rationele mensen gewaardeerd werk produceren, te bloeien; degenen die werk door rationele mensen niet gewaardeerd werk produceren, neigen een ander beroep te vinden.

Samengevat zijn de belangrijkste beginselen van het objectivisme: de realiteit is een zekerheid, de rede is het enige kenmiddel van de mens, de mens heeft vrije wil (de keuze om te denken of niet), eigenbelang is moreel, individuele rechten zijn absoluut, het kapitalisme is moreel, en goede kunst is bepalend voor een goed leven.

Om de oorsprong van deze beginselen in Rands fictie te zien, lees The Fountainhead en Atlas Shrugged. Voor een non-fictie uiteenzetting van de beginselen van het objectivisme, zie Leonard Peikoffs, Objectivism: The Philosophy of Ayn Rand . Voor de toepassing van deze beginselen op culturele en politieke zaken van de dag, schrijf je in voor The Objective Standard, de vooraanstaande bron voor commentaar vanuit een objectivistisch oogpunt.


Had dit artikel waarde voor jou?

Overweeg een abonnement te nemen op The Objective Standard, zodat je meer waardevolle artikelen kan lezen: https://theobjectivestandard.com/subscribe/