Wat is het Kapitalisme?

Dit artikel werd oorspronkelijk in Capitalism: The Unknown Ideal uitgegeven. Vertaald door Anis Benhayyoun

De desintegratie van de filosofie in de negentiende eeuw en de ineenstorting ervan in de twintigste eeuw hebben geleid tot een soortgelijk, zij het veel langzamer en minder duidelijk proces in de loop van de moderne wetenschap.

De huidige stormachtige ontwikkeling op het gebied van de technologie heeft iets dat doet denken aan de dagen die voorafgingen aan de economische crash van 1929: voortbouwend op het momentum van het verleden, op de niet erkende overblijfselen van een Aristotelische epistemologie, is het een hectische, koortsachtige expansie, onbewust van het feit dat de theoretische rekening allang overbelast is - dat op het gebied van de wetenschappelijke theorie, niet in staat om hun eigen gegevens te integreren of te interpreteren, wetenschappers de heropleving van een primitieve mystiek in de hand werken. In de geesteswetenschappen echter is de crash voorbij, de depressie is ingetreden, en de ineenstorting van de wetenschap is zo goed als voltooid.

Het duidelijkste bewijs daarvan is te zien in betrekkelijk jonge wetenschappen als de psychologie en de politieke economie. In de psychologie ziet men de poging om het menselijk gedrag te bestuderen zonder rekening te houden met het feit dat de mens bewust is. In de politieke economie kan men de poging zien om sociale systemen te bestuderen en te ontwerpen zonder te refereren aan de mens.

De Objectivistische Nieuwsbrief, november en december 1965.

Het is de filosofie die de epistemologische criteria bepaalt en vaststelt om de menselijke kennis in het algemeen en de specifieke wetenschappen in het bijzonder te leiden. De politieke economie kwam in de negentiende eeuw op de voorgrond, in het tijdperk van de post-Kantiaanse desintegratie van de filosofie, en niemand stond op om haar premissen te controleren of om haar basis in twijfel te trekken. Impliciet, kritiekloos en bij gebrek aan beter aanvaardde de politieke economie de grondbeginselen van het collectivisme als axioma's.

Politieke economen - met inbegrip van de voorstanders van het kapitalisme - definieerden hun wetenschap als de studie van het beheer, de leiding, de organisatie of de manipulatie van de "hulpbronnen" van een "gemeenschap" of een "natie". De aard van deze "hulpbronnen" werd niet gedefinieerd; hun gemeenschappelijk eigendom werd als vanzelfsprekend beschouwd en het doel van de politieke economie werd verondersteld de studie te zijn van het gebruik van deze "hulpbronnen" voor "het algemeen welzijn".

Het feit dat de voornaamste "hulpbron" in kwestie de mens zelf was, dat hij een entiteit van een specifieke aard was met specifieke capaciteiten en behoeften, kreeg de oppervlakkigste aandacht, als die er al was. De mens werd eenvoudig beschouwd als een van de productiefactoren, samen met land, bossen of mijnen - een van de minder belangrijke factoren, aangezien er meer studie werd gewijd aan de invloed en de kwaliteit van deze andere factoren dan aan zijn rol of kwaliteit.

De politieke economie was in feite een wetenschap die halverwege begon: zij stelde vast dat de mensen produceerden en handel dreven, zij ging ervan uit dat zij dat altijd hadden gedaan en dat ook altijd zouden blijven doen - zij aanvaardde dit feit als een gegeven dat geen verdere overweging behoefde - en zij boog zich over het probleem hoe de "gemeenschap" het beste kon beschikken over de menselijke inspanningen.

Er waren vele redenen voor deze tribale kijk op de mens. De moraal van het altruïsme was er één van; de groeiende dominantie van het politieke staatisme onder de intellectuelen van de negentiende eeuw was een andere. Psychologisch was de belangrijkste reden de dichotomie tussen ziel en lichaam die de Europese cultuur doordrong: materiële productie werd beschouwd als een vernederende taak van een lagere orde, die niets te maken had met de zorgen van het intellect van de mens, een taak die sinds het begin van de opgetekende geschiedenis was toegewezen aan slaven of horigen. De slavernij heeft in de een of andere vorm tot ver in de negentiende eeuw bestaan en is pas met de komst van het kapitalisme politiek afgeschaft; politiek, maar niet intellectueel.

Het concept van de mens als een vrij, onafhankelijk individu was volkomen vreemd aan de cultuur van Europa. Het was een stammencultuur tot in de diepste wortels; in het Europese denken was de stam de entiteit, de eenheid, en de mens was slechts een van de vervangbare cellen. Dit gold zowel voor de heersers als voor de onderdanen: de heersers werden geacht hun privileges alleen te behouden op grond van de diensten die zij aan de stam verleenden, diensten die als van adellijke aard werden beschouwd, namelijk de gewapende macht of de militaire verdediging. Maar een adellijke was evenzeer een stuk van de stam als een onderdaan: zijn leven en bezit behoorden de koning toe. Men mag niet vergeten dat de institutie van privé-eigendom, in de volledige, juridische betekenis van de term, pas door het kapitalisme is ontstaan. In de tijd vóór het kapitalisme bestond privé-eigendom wel de facto, maar niet de jure, d.w.z. door gewoonte en gedogen, niet door recht of wet. Volgens de wet en in principe behoorde alle eigendom toe aan het hoofd van de stam, de koning, en was alleen in zijn bezit met zijn toestemming, die op elk moment, naar zijn goeddunken, kon worden herroepen. (De koning kon in de loop van de geschiedenis van Europa de bezittingen van recalcitrante edellieden onteigenen en deed dat ook).

De Amerikaanse filosofie van de Rechten van de Mens werd nooit ten volle begrepen door Europese intellectuelen. Europa's overheersende idee van emancipatie bestond uit het veranderen van het concept van de mens als slaaf van de absolute staat belichaamd door een koning, in het concept van de mens als slaaf van de absolute staat belichaamd door "het volk" - d.w.z. het veranderen van slavernij aan een stamhoofd in slavernij aan de stam. Een niet-tribale opvatting van het bestaan kon niet doordringen tot de mentaliteit die het voorrecht om over materiële producenten te heersen door middel van fysiek geweld beschouwde als een teken van adeldom.

Zo merkten de Europese denkers niet op dat in de loop van de negentiende eeuw de galeislaven waren vervangen door de uitvinders van de stoomboten, en de dorpssmeden door de eigenaars van hoogovens, en bleven zij denken in termen (zulke contradicties in termen) als "loonslavernij" of "het asociale egoïsme van de industriëlen die zoveel van de maatschappij nemen zonder er iets voor terug te geven" - op basis van het onbetwiste axioma dat rijkdom een anoniem, sociaal, tribaal product is.

Deze opvatting is tot op de dag van vandaag niet ter discussie gesteld; zij vormt de impliciete veronderstelling en de basis van de hedendaagse politieke economie.

Als voorbeeld van deze opvatting en de gevolgen ervan zal ik het artikel over "Kapitalisme" in de Encyclopaedia Britannica aanhalen. Het artikel geeft geen definitie van zijn onderwerp; het opent als volgt:

KAPITALISME, een term die wordt gebruikt om het economisch systeem aan te duiden dat in de westerse wereld dominant is geweest sinds het uiteenvallen van het feodalisme. Fundamenteel voor elk systeem dat kapitalistisch wordt genoemd zijn de verhoudingen tussen particuliere eigenaars van niet-persoonlijke productiemiddelen (land, mijnen, industriële installaties, enz., tezamen bekend als kapitaal) [cursivering van mij] en vrije maar kapitaalloze arbeiders, die hun arbeidsdiensten aan werkgevers verkopen. . . . De daaruit voortvloeiende loononderhandelingen bepalen de verhouding waarin het totale product van de maatschappij zal worden verdeeld tussen de klasse van de arbeiders en de klasse van de kapitalistische entrepreneurs. 

(Ik citeer uit de toespraak van Galt in Atlas Shrugged, uit een passage waarin de grondbeginselen van het collectivisme worden beschreven: "Een industrieel blank-out - zo iemand bestaat niet. Een fabriek is een 'natuurlijke hulpbron', zoals een boom, een rots of een modderpoel").

Het succes van het kapitalisme wordt door de Britannica als volgt verklaard: 

Productief gebruik van het "sociale overschot" was de bijzondere deugd die het kapitalisme in staat stelde alle voorgaande economische systemen te overtreffen. In plaats van piramides en kathedralen te bouwen, kozen zij die het sociale overschot in handen hadden ervoor te investeren in schepen, pakhuizen, grondstoffen, afgewerkte goederen en andere materiële vormen van rijkdom. Het sociale overschot werd zo omgezet in een grotere productiecapaciteit.

Dit wordt gezegd over een tijd waarin de Europese bevolking in zo'n armoede leefde dat de kindersterfte de vijftig procent benaderde, en periodieke hongersnoden de "overtollige" bevolking wegvaagden die de pre-kapitalistische economieën niet in staat waren te voeden. Toch beweert de Britannica, zonder onderscheid te maken tussen door belastingen onteigende en industrieel geproduceerde rijkdom, dat het de overtollige rijkdom van die tijd was die de vroege kapitalisten "beheersten" en "verkozen te investeren" - en dat deze investering de oorzaak was van de enorme welvaart van het tijdperk dat volgde.

Wat is een "sociaal overschot"? Het artikel geeft geen definitie of verklaring. Een "overschot" veronderstelt een norm; als overleven op een chronisch hongerniveau boven de impliciete norm ligt, wat is dan die norm? Het artikel geeft geen antwoord.

Er bestaat natuurlijk niet zoiets als een "sociaal overschot". Alle rijkdom wordt door iemand geproduceerd en behoort aan iemand toe. En "de bijzondere deugd die het kapitalisme in staat stelde alle voorgaande economische systemen te overtreffen" was de vrijheid (een begrip dat welsprekend ontbreekt in het relaas van de Britannica), die niet leidde tot de onteigening, maar tot de schepping van rijkdom.

Ik zal later meer zeggen over dat schandelijke artikel (schandelijk op velerlei gebied, en niet in de laatste plaats op het gebied van de wetenschap). Op dit moment heb ik het alleen geciteerd als een beknopt voorbeeld van de tribale premisse die ten grondslag ligt aan de huidige politiek.

De mens is geen entiteit, geen organisme, geen koraalstruik. De entiteit die betrokken is bij productie en handel is de mens. Het is met de studie van de mens - niet van het losse aggregaat dat bekend staat als een "gemeenschap" - dat elke wetenschap van de geesteswetenschappen moet beginnen.

Deze kwestie vertegenwoordigt een van de epistemologische verschillen tussen de geesteswetenschappen en de natuurwetenschappen, een van de oorzaken van het welverdiende minderwaardigheidscomplex van de geesteswetenschappen ten opzichte van de natuurwetenschappen. Een natuurwetenschap zou zich (nog) niet veroorloven de aard van haar onderwerp te negeren of te omzeilen. Een dergelijke poging zou betekenen: een wetenschap van astronomie die naar de hemel staart, maar weigert individuele sterren, planeten en satellieten te bestuderen - of een wetenschap van geneeskunde die ziekte bestudeert, zonder enige kennis van of enig criterium voor gezondheid, en die als haar basisonderwerp van studie een ziekenhuis als geheel neemt, en zich nooit richt op individuele patiënten.

Men kan veel leren over de maatschappij door de mens te bestuderen; maar dit proces kan niet worden omgekeerd: men kan niets leren over de mens door de maatschappij te bestuderen - door de onderlinge relaties te onderzoeken van entiteiten die men nooit heeft geïdentificeerd of gedefinieerd. Toch is dat de methodologie die de meeste politieke economen volgen. Hun houding komt in feite neer op het onuitgesproken, impliciete postulaat: "De mens is datgene wat in economische vergelijkingen past." Aangezien hij dat duidelijk niet is, leidt dit tot het merkwaardige feit dat politieke economen, ondanks de praktische aard van hun wetenschap, merkwaardig genoeg niet in staat zijn hun abstracties te relateren aan de concretiseringen van het werkelijke bestaan.

Het leidt ook tot een verbijsterend soort dubbele standaard of dubbel perspectief in hun manier van kijken naar mensen en gebeurtenissen: als zij een schoenmaker zien, hebben zij er geen moeite mee te concluderen dat hij werkt om in zijn levensonderhoud te voorzien; maar als politieke economen verklaren zij, op grond van de tribale premisse, dat het zijn doel (en plicht) is de maatschappij van schoenen te voorzien. Als zij een bedelaar op een straathoek zien, identificeren zij hem als een zwerver; in de politieke economie wordt hij "een soevereine consument". Als zij de communistische doctrine horen dat alle eigendom aan de staat moet toebehoren, verwerpen zij deze nadrukkelijk en menen zij oprecht dat zij het communisme tot de dood zouden bestrijden; maar in de politieke economie spreken zij over de plicht van de regering om "een eerlijke herverdeling van de rijkdom" tot stand te brengen en spreken zij over zakenlieden als de beste, meest efficiënte beheerders van de "natuurlijke hulpbronnen" van het land.

Dit is wat een basispremisse (en filosofische nalatigheid) zal doen; dit is wat de tribale premisse heeft gedaan.

Om die vooronderstelling te verwerpen en bij het begin te beginnen - bij de benadering van de politieke economie en bij de evaluatie van de verschillende sociale stelsels - moet men beginnen met de aard van de mens vast te stellen, d.w.z. die essentiële kenmerken die hem onderscheiden van alle andere levende soorten.

Het essentiële kenmerk van de mens is zijn rationeel vermogen. Het verstand van de mens is zijn basismiddel om te overleven - zijn enige middel om kennis te verwerven.

De mens kan niet overleven, zoals dieren doen, door zich te laten leiden door louter percepties. . . . Hij kan niet in zijn eenvoudigste fysieke behoeften voorzien zonder een proces van denken. Hij heeft een denkproces nodig om te ontdekken hoe hij zijn voedsel moet planten en verbouwen of hoe hij wapens moet maken voor de jacht. Zijn waarnemingen leiden hem misschien naar een grot, als er een beschikbaar is - maar om het eenvoudigste onderkomen te bouwen, heeft hij een denkproces nodig. Geen enkele waarneming of "instinct" zal hem vertellen hoe hij een vuur moet aansteken, hoe hij een doek moet weven, hoe hij gereedschap moet smeden, hoe hij een wiel moet maken, hoe hij een vliegtuig moet bouwen, hoe hij een blindedarmoperatie moet uitvoeren, hoe hij een elektrische gloeilamp of een elektronische buis of een cyclotron of een doosje lucifers moet produceren. Toch hangt zijn leven af van zulke kennis, en alleen een bewuste daad van zijn bewustzijn, een denkproces, kan die verschaffen.

Een denkproces is een enorm ingewikkeld proces van identificatie en integratie, dat alleen een individueel brein kan uitvoeren. Er bestaat niet zoiets als een collectief brein. Men kan van elkaar leren, maar leren vereist een denkproces van de kant van iedere individuele student. De mens kan samenwerken bij de ontdekking van nieuwe kennis, maar deze samenwerking vereist de onafhankelijke uitoefening van zijn verstandelijk vermogen door iedere individuele wetenschapper. De mens is de enige levende soort die zijn voorraad kennis kan doorgeven en uitbreiden van generatie op generatie; maar een dergelijke overdracht vereist een denkproces van de kant van de individuele ontvangers. Getuige daarvan de ineenstortingen van de beschaving, de donkere middeleeuwen in de geschiedenis van de vooruitgang van de mensheid, toen de eeuwenlang vergaarde kennis verdween uit het leven van mensen die niet konden, niet wilden of niet mochten nadenken.

Om in leven te blijven, moet elke levende soort een bepaalde actie volgen die door haar aard wordt vereist. De actie die nodig is om het menselijk leven in stand te houden, is in de eerste plaats intellectueel: alles wat de mens nodig heeft, moet door zijn verstand worden ontdekt en door zijn inspanning worden geproduceerd. Productie is de toepassing van de rede op het probleem van het overleven.

Als sommige mensen er niet voor kiezen om na te denken, kunnen zij alleen overleven door het imiteren en herhalen van een werkroutine die door anderen is ontdekt - maar die anderen moesten het ontdekken, anders zou niemand hebben overleefd. Als sommige mensen er niet voor kiezen om te denken of te werken, kunnen ze (tijdelijk) alleen overleven door de goederen te plunderen die door anderen zijn geproduceerd - maar die anderen hadden die goederen moeten produceren, anders had niemand het overleefd. Welke keuze er in deze kwestie ook gemaakt wordt, door welke man of door welk aantal mensen ook, welke blinde, irrationele of slechte koers ze ook kiezen - het feit blijft dat de rede het overlevingsmiddel van de mens is en dat mensen slagen of falen, overleven of ten onder gaan in verhouding tot de mate van hun rationaliteit.

Aangezien kennis, denken en rationeel handelen eigenschappen van het individu zijn, aangezien de keuze om zijn rationele vermogens al dan niet uit te oefenen van het individu afhangt, vereist het voortbestaan van de mens dat zij die denken vrij zijn van de inmenging van hen die dat niet doen. Aangezien de mens alwetend noch onfeilbaar is, moet hij vrij zijn om het eens of oneens te zijn, om samen te werken of zijn eigen onafhankelijke koers te varen, ieder naar zijn eigen rationele oordeel. Vrijheid is de fundamentele eis die aan het verstand van de mens wordt gesteld.

Een rationeel geest werkt niet onder dwang; hij onderwerpt zijn begrip van de werkelijkheid niet aan iemands bevelen, richtlijnen of controles; hij offert zijn kennis, zijn kijk op de waarheid, niet op aan iemands meningen, bedreigingen, wensen, plannen of "welzijn". Zo'n geest kan door anderen worden gehinderd, hij kan tot zwijgen worden gebracht, worden verboden, gevangengezet of vernietigd; hij kan niet worden gedwongen; een geweer is geen argument. (Een voorbeeld en symbool van deze attitude is Galileo.)

Het is uit het werk en de onaantastbare integriteit van zulke geesten - uit de onverzettelijke vernieuwers - dat alle kennis en verworvenheden van de mensheid zijn voortgekomen. (Zie The Fountainhead.) Het is aan zulke geesten dat de mensheid zijn voortbestaan dankt. (Zie Atlas Shrugged.)

Hetzelfde principe geldt voor alle mensen, op elk niveau van bekwaamheid en ambitie. Voor zover een mens zich laat leiden door zijn rationele inzicht, handelt hij in overeenstemming met de eisen van zijn natuur en slaagt hij er in die mate in een menselijke vorm van overleven en welzijn te bereiken; voor zover hij irrationeel handelt, handelt hij als zijn eigen vernietiger.

De maatschappelijke erkenning van de rationele aard van de mens - van het verband tussen zijn voortbestaan en zijn gebruik van de rede - is het begrip van de individuele rechten.

Ik herinner eraan dat "rechten" een moreel beginsel zijn dat de handelingsvrijheid van de mens in een sociale context definieert en bekrachtigt, dat zij voortvloeien uit de aard van de mens als rationeel wezen en een noodzakelijke voorwaarde vormen voor zijn bijzondere wijze van overleven. Ik herinner er ook aan dat het recht op leven de bron is van alle rechten, met inbegrip van het recht op eigendom.3

In verband met de politieke economie moet dit laatste speciaal worden benadrukt: de mens moet werken en produceren om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij moet zijn leven in stand houden door zijn eigen inspanning en door de leiding van zijn eigen geest. Indien hij niet kan beschikken over het product van zijn inspanning, kan hij niet beschikken over zijn inspanning; indien hij niet kan beschikken over zijn inspanning, kan hij niet beschikken over zijn leven. Zonder eigendomsrecht kunnen geen andere rechten worden uitgeoefend.

Nu, met deze feiten in gedachten, overweeg de vraag welk sociaal systeem geschikt is voor de mens.

Een sociaal stelsel is een geheel van moreel-politiek-economische beginselen, vastgelegd in de wetten, instellingen en overheid van een maatschappij, die de verhoudingen, de voorwaarden van associatie, bepalen tussen de mensen die in een bepaald geografisch gebied wonen. Het is duidelijk dat deze voorwaarden en betrekkingen afhangen van een identificatie van de aard van de mens, dat zij anders zouden zijn als zij betrekking hadden op een maatschappij van rationele wezens of op een kolonie mieren. Het is duidelijk dat zij radicaal anders zullen zijn als de mensen met elkaar omgaan als vrije, onafhankelijke individuen, in de veronderstelling dat ieder mens een doel op zich is - of als leden van een groep, waarbij ieder de anderen beschouwt als de middelen voor zijn doelen en voor de doelen van "de groep als geheel".

Er zijn slechts twee fundamentele vragen (of twee aspecten van dezelfde vraag) die de aard van elk sociaal systeem bepalen: Erkent een sociaal systeem individuele rechten? En: Verbiedt een sociaal systeem fysiek geweld in menselijke relaties? Het antwoord op de tweede vraag is de praktische uitvoering van het antwoord op de eerste.

Is de mens een soeverein individu dat eigenaar is van zijn persoon, zijn geest, zijn leven, zijn werk en de producten daarvan, of is hij het eigendom van de stam (de staat, de maatschappij, het collectief) die over hem kan beschikken zoals zij wil, die zijn overtuigingen kan dicteren, de loop van zijn leven kan voorschrijven, zijn werk kan controleren en zijn producten kan onteigenen? Heeft de mens het recht om voor zichzelf te bestaan of is hij geboren in slavernij, als een contractarbeider die zijn leven moet blijven kopen door de stam te dienen, maar het nooit vrij en zuiver kan verwerven?

Dit is de eerste vraag die moet worden beantwoord. De rest is een kwestie van consequenties en praktische uitvoering. De fundamentele vraag is alleen: Is de mens vrij?

In de geschiedenis van de mensheid is het kapitalisme het enige systeem dat antwoordt: Ja.

Het kapitalisme is een sociaal systeem dat gebaseerd is op de erkenning van individuele rechten, waaronder eigendomsrechten, waarbij alle eigendom in particulier bezit is.

De erkenning van individuele rechten brengt met zich mee dat fysiek geweld uit de menselijke relaties wordt verbannen: in feite kunnen rechten alleen door middel van geweld worden geschonden. In een kapitalistische maatschappij mag geen mens of groep het initiatief nemen tot het gebruik van fysiek geweld tegen anderen. De enige functie van de overheid in een dergelijke maatschappij is de bescherming van de rechten van de mens, d.w.z. de bescherming tegen fysiek geweld; de overheid treedt op als de agent van het recht van de mens op zelfverdediging, en mag geweld alleen gebruiken als vergelding en alleen tegen degenen die het initiatief nemen tot het gebruik ervan; de overheid is dus het middel om het gebruik van geweld als vergeldingsmiddel onder objectieve controle te plaatsen.

Het is het fundamentele, metafysische feit van de aard van de mens - het verband tussen zijn overleven en zijn gebruik van de rede - dat het kapitalisme erkent en beschermt.

In een kapitalistische maatschappij zijn alle menselijke relaties vrijwillig. De mensen zijn vrij om al dan niet samen te werken, om al dan niet met elkaar om te gaan, zoals hun eigen individuele oordelen, overtuigingen en belangen dat voorschrijven. Zij kunnen alleen met elkaar omgaan in termen van en door middel van de rede, d.w.z. door middel van discussie, overreding en contractuele overeenkomst, door vrijwillige keuze tot wederzijds voordeel. Het recht om het met anderen eens te zijn is in geen enkele samenleving een probleem; het is het recht om het oneens te zijn dat van cruciaal belang is. Het is de instelling van privé-eigendom die het recht om het oneens te zijn beschermd en ten uitvoer legt - en zo de weg openhoudt voor de meest waardevolle eigenschap van de mens (waardevol op persoonlijk, sociaal en objectief vlak): de creatieve geest.

Dit is het hoofdverschil tussen kapitalisme en collectivisme.

De macht die de oprichting, de veranderingen, de evolutie en de vernietiging van sociale systemen bepaalt, is de filosofie. De rol van toeval, ongeluk of traditie is in dit verband dezelfde als hun rol in het leven van een individu: hun macht staat in omgekeerde verhouding tot de macht van de filosofische uitrusting van een cultuur (of van een individu), en neemt toe naarmate de filosofie ineenstort. Het is dus aan de hand van de filosofie dat het karakter van een sociaal systeem moet worden gedefinieerd en geëvalueerd. Overeenkomstig de vier takken van de filosofie zijn de vier hoekstenen van het kapitalisme: metafysisch, de vereisten van de natuur van de mens en zijn overleving. Epistemologisch, rede. Ethisch, individuele rechten. Politiek, vrijheid.

Dit is in wezen de basis van de juiste benadering van de politieke economie en van een begrip van het kapitalisme - niet de tribale premisse die uit prehistorische tradities is geërfd.

De "praktische" rechtvaardiging van het kapitalisme ligt niet in de collectivistische bewering dat het "de beste verdeling van nationale hulpbronnen" bewerkstelligt. De mens is geen "nationale hulpbron" en zijn geest evenmin, en zonder de scheppende kracht van de intelligentie van de mens, blijven grondstoffen slechts nutteloze grondstoffen.

De morele rechtvaardiging van het kapitalisme ligt niet in de altruïstische bewering dat het de beste manier is om "het algemeen welzijn" te bereiken. Het is waar dat het kapitalisme dat doet - als die kreet enige betekenis heeft - maar dat is slechts een bijkomstig gevolg. De morele rechtvaardiging van het kapitalisme ligt in het feit dat het het enige systeem is dat in overeenstemming is met de rationele natuur van de mens, dat het de overleving van de mens als mens beschermt, en dat het leidende principe ervan is: rechtvaardigheid.

Elk sociaal systeem is expliciet of impliciet, gebaseerd op een of andere ethische theorie. De tribale notie van "het algemeen welzijn" heeft gediend als de morele rechtvaardiging van de meeste sociale systemen - en van alle tirannieën - in de geschiedenis. De mate van slavernij of vrijheid van een samenleving correspondeerde met de mate waarin die stammenslogan werd ingeroepen of genegeerd.

"Het algemeen belang" (of "het publieke welzijn") is een ongedefinieerd en ondefinieerbaar begrip: er bestaat geen entiteit als "de stam" of "het publiek"; de stam (of het publiek of de maatschappij) is slechts een aantal individuele mensen. Niets kan goed zijn voor de stam als zodanig; "goed" en "waarde" hebben alleen betrekking op een levend organisme - op een individueel levend organisme - niet op een onstoffelijk geheel van relaties.

"Het algemeen welzijn" is een betekenisloos begrip, tenzij het letterlijk wordt genomen, in welk geval de enige mogelijke betekenis is: de som van het welzijn van alle betrokken individuele mensen. Maar in dat geval is het begrip betekenisloos als moreel criterium: het laat de vraag open wat het goed is van de individuele mensen en hoe je dat bepaalt. Het is echter niet in zijn letterlijke betekenis dat dit begrip algemeen gebruikt wordt. Het wordt juist aanvaard om zijn rekbaar, ondefinieerbaar, mystiek karakter, dat niet dient als een morele leidraad, maar als een ontsnapping aan de moraal. Aangezien het goede niet van toepassing is op het onlichamelijke, wordt het een morele blanco cheque voor hen die het trachten te belichamen.

Wanneer "het algemeen welzijn" van een samenleving wordt beschouwd als iets dat losstaat van en superieur is aan het individuele welzijn van haar leden, betekent dit dat het welzijn van sommige mensen voorrang krijgt boven dat van anderen, waarbij die anderen tot offerdieren worden gemaakt. In dergelijke gevallen wordt stilzwijgend aangenomen dat "het algemeen welzijn" betekent "het welzijn van de meerderheid" tegenover de minderheid of het individu. Let op het belangrijke feit dat die veronderstelling stilzwijgend is: zelfs de meest gecollectiviseerde mentaliteiten lijken de onmogelijkheid aan te voelen om dit moreel te rechtvaardigen. Maar ook "het welzijn van de meerderheid" is slechts schijn en bedrog: aangezien de schending van de rechten van het individu in feite de afschaffing van alle rechten betekent, levert zij de hulpeloze meerderheid over aan de macht van een willekeurige bende die zich uitroept tot "de stem van de samenleving" en met fysiek geweld gaat heersen, totdat zij wordt afgezet door een andere bende die dezelfde middelen gebruikt.

Als men begint met het definiëren van het goede van de individuele mens, zal men alleen een maatschappij waarin dat goede bereikt en haalbaar is als juist aanvaarden. Maar als men begint met "het algemeen welzijn" als axioma te aanvaarden en het individueel welzijn als mogelijk maar niet noodzakelijk gevolg daarvan te beschouwen (in geen enkel geval noodzakelijk), dan komt men uit bij een gruwelijke absurditeit als de Sovjet-Rusland, een land dat beweerdelijk gewijd is aan "het algemeen welzijn" en waar, met uitzondering van een minuscule kliek heersers, de gehele bevolking meer dan twee generaties lang in onmenselijke ellende heeft geleefd.

Wat maakt dat de slachtoffers en, erger nog, de toeschouwers deze en andere soortgelijke historische wreedheden accepteren, en zich nog steeds vastklampen aan de mythe van "het algemeen welzijn"? Het antwoord ligt in de filosofie - in filosofische theorieën over de aard van morele waarden.

Er zijn in wezen drie denkrichtingen over de aard van het goede: de intrinsieke, de subjectieve en de objectieve. De intrinsieke theorie stelt dat het goede inherent is aan bepaalde dingen of handelingen als zodanig, ongeacht hun context en gevolgen, ongeacht het voordeel of het nadeel dat zij kunnen veroorzaken voor de betrokken actoren en subjecten. Het is een theorie die het begrip "goed" loskoppelt van de begunstigden, en het begrip "waarde" van de waarnemer en het doel, door te stellen dat het goede goed is in, door en van zichzelf.

De subjectivistische theorie stelt dat het goede geen verband houdt met de feiten van de werkelijkheid, dat het het product is van het bewustzijn van een mens, gecreëerd door zijn gevoelens, verlangens, "intuïties" of bevliegingen, en dat het slechts een "arbitrair postulaat" of een "emotionele verbintenis" is.

De intrinsieke theorie gaat ervan uit dat het goede in een of andere werkelijkheid verblijft, onafhankelijk van het bewustzijn van de mens; de subjectivistische theorie gaat ervan uit dat het goede in het bewustzijn van de mens verblijft, onafhankelijk van de werkelijkheid.

De objectieve theorie stelt dat het goede noch een eigenschap is van "de dingen op zichzelf", noch van de emotionele toestand van de mens, maar een evaluatie van de feiten van de werkelijkheid door het bewustzijn van de mens volgens een rationele waardestandaard. (Rationeel betekent in dit verband: afgeleid van de feiten van de werkelijkheid en gevalideerd door een proces van rede). De objectieve theorie stelt dat het goede een aspect is van de werkelijkheid in relatie tot de mens - en dat het door de mens moet worden ontdekt, niet uitgevonden. Fundamenteel voor een objectieve theorie van waarden is de vraag: Van waarde voor wie en voor wat? Een objectieve theorie staat geen context-dropping of "concept-stealing" toe; zij staat niet toe dat "waarde" wordt gescheiden van "doel", van het goede van de begunstigden, en van de handelingen van de mens van de rede.

Van alle sociale systemen in de geschiedenis van de mensheid is het kapitalisme het enige systeem dat gebaseerd is op een objectieve theorie van waarden.

De intrinsieke theorie en de subjectivistische theorie (of een mengsel van beide) zijn de noodzakelijke basis van elke dictatuur, tirannie, of variant van de absolute staat. Of zij nu bewust of onbewust worden aangehangen - in de expliciete vorm van een filosoof of in de impliciete chaos van de echo's ervan in de gevoelens van een doorsnee mens - deze theorieën maken het voor een mens mogelijk te geloven dat het goede onafhankelijk is van de geest van de mens en kan worden bereikt met fysiek geweld.

Als een mens gelooft dat het goede intrinsiek is aan bepaalde handelingen, zal hij niet aarzelen om anderen te dwingen ze uit te voeren. Als hij gelooft dat het menselijk voordeel of letsel dat door dergelijke handelingen wordt veroorzaakt van geen betekenis is, zal hij een zee van bloed als van geen betekenis beschouwen. Als hij gelooft dat de begunstigden van dergelijke handelingen irrelevant (of inwisselbaar) zijn, zal hij het op grote schaal afslachten beschouwen als zijn morele plicht in dienst van een "hoger" goed. Het is de intrinsieke theorie van waarden die een Robespierre, een Lenin, een Stalin, of een Hitler voortbrengt. Het is geen toeval dat Eichmann een Kantiaan was.

Als een mens gelooft dat het goede een kwestie is van arbitraire, subjectieve keuze, wordt de kwestie van goed of kwaad voor hem een kwestie van: mijn gevoelens of die van hen? Voor hem is er geen brug, geen begrip, geen communicatie mogelijk. De rede is het enige communicatiemiddel tussen de mensen, en een objectief waarneembare werkelijkheid is hun enige gemeenschappelijke referentiekader; wanneer deze worden ontkracht (d.w.z. irrelevant worden geacht) op het gebied van de moraal, wordt geweld voor de mensen de enige manier om met elkaar om te gaan. Als de subjectivist een of ander sociaal ideaal wil nastreven, voelt hij zich moreel gerechtigd de mensen te dwingen "voor hun eigen bestwil", omdat hij vindt dat hij gelijk heeft en dat er niets is dat hem tegenwerkt dan hun misleide gevoelens.

Zo komen in de praktijk de voorstanders van de intrinsieke en de subjectivistische school samen en vermengen zij zich. (Ze vermengen zich ook in termen van hun psycho-epistemologie: hoe kunnen de moralisten van de intrinsieke school hun transcendentaal "goed" ontdekken, als ze dat niet doen door middel van speciale, niet-rationele intuïties en openbaringen, d.w.z. door middel van hun gevoelens)? Het is twijfelachtig of iemand een van deze theorieën als een feitelijke, zij het onjuiste, overtuiging kan aanhangen. Maar beide dienen als rationalisering van machtswellust en van heerschappij met brute kracht, waarbij de potentiële dictator wordt vrijgelaten en zijn slachtoffers worden ontwapend.

De objectieve theorie van waarden is de enige morele theorie die onverenigbaar is met heerschappij door geweld. Het kapitalisme is het enige systeem dat impliciet gebaseerd is op een objectieve theorie van waarden - en de historische tragedie is dat deze nooit expliciet is gemaakt.

Als men weet dat het goede objectief is - d.w.z. bepaald door de aard van de werkelijkheid, maar te ontdekken door het verstand van de mens - weet men dat een poging om het goede te bereiken door fysiek geweld een monsterlijke tegenstrijdigheid is, die de moraal bij de wortel ontkent door het vermogen van de mens te vernietigen om het goede te herkennen, d.w.z. zijn vermogen om te waarderen. Geweld ontkracht en verlamt het oordeel van de mens en eist dat hij er tegenin gaat, waardoor hij moreel onmachtig wordt. Een waarde die men gedwongen is te aanvaarden ten koste van het opgeven van zijn verstand, is voor niemand een waarde; de dwang loze kan noch oordelen, noch kiezen, noch waarderen. Een poging om het goede met geweld te bereiken is als een poging om een man een schilderijengalerij te verschaffen tegen de prijs van het uitsnijden van zijn ogen. Waarden kunnen niet bestaan (kunnen niet gewaardeerd worden) buiten de volledige context van het leven, de behoeften, de doelen en de kennis van een mens.

De objectieve kijk op waarden doordringt de hele structuur van een kapitalistische maatschappij.

De erkenning van individuele rechten impliceert de erkenning van het feit dat het goede geen onuitsprekelijke abstractie is in een bovennatuurlijke dimensie, maar een waarde die betrekking heeft op de werkelijkheid, op deze aarde, op het leven van individuele mensen (zie het recht op het nastreven van geluk). Het impliceert dat het goede niet kan worden gescheiden van de begunstigden, dat mensen niet als onderling inwisselbaar moeten worden beschouwd, en dat geen mens of stam mag proberen het goede van de een te bereiken ten koste van de ondergang van de ander.

De vrije markt vertegenwoordigt de sociale toepassing van een objectieve theorie van waarden. Aangezien waarden ontdekt moeten worden door de geest van de mens, moet het de mens vrij staan ze te ontdekken - te denken, te studeren, zijn kennis in fysieke vorm om te zetten, zijn producten voor de handel aan te bieden, ze te beoordelen, en te kiezen, of het nu gaat om materiële goederen of ideeën, een brood of een filosofische beschouwing. Aangezien waarden contextueel worden vastgesteld, moet ieder mens voor zichzelf oordelen, in de context van zijn eigen kennis, doelen en belangen. Aangezien waarden bepaald worden door de aard van de werkelijkheid, is het de werkelijkheid die dient als ultieme scheidsrechter van de mens: als het oordeel van een mens juist is, zijn de beloningen voor hem; als het onjuist is, is hij het enige slachtoffer.

Het is met betrekking tot een vrije markt dat het onderscheid tussen een intrinsieke, subjectieve en objectieve kijk op waarden bijzonder belangrijk is om te begrijpen. De marktwaarde van een product is geen intrinsieke waarde, geen "waarde op zichzelf" die in een vacuüm hangt. Een vrije markt verliest nooit de vraag uit het oog: Van waarde voor wie? En, binnen het brede gebied van objectiviteit, weerspiegelt de marktwaarde van een product niet zijn filosofisch objectieve waarde, maar alleen zijn sociaal objectieve waarde.

Onder "filosofisch objectief" versta ik een waarde die wordt geschat vanuit het standpunt van het best mogelijke voor de mens, d.w.z. volgens het criterium van de meest rationele geest die over de grootste kennis beschikt, in een bepaalde categorie, in een bepaalde periode, en in een welomschreven context (niets kan worden geschat in een ongedefinieerde context). Zo kan bijvoorbeeld rationeel worden bewezen dat het vliegtuig objectief gezien van onschatbare grotere waarde is voor de mens (voor de mens op zijn best) dan de fiets, en dat de werken van Victor Hugo objectief gezien van onschatbare grotere waarde zijn dan tijdschriften over waarheidsgetrouwe bekentenissen. Maar als het intellectuele potentieel van een mens er nauwelijks in slaagt van de ware bekentenissen te genieten, is er geen reden waarom zijn schamele inkomsten, het product van zijn inspanning, zouden moeten worden besteed aan boeken die hij niet kan lezen of aan het subsidiëren van de luchtvaartindustrie, als zijn eigen behoefte aan vervoer niet verder reikt dan het bereik van een fiets. (Er is ook geen enkele reden waarom de rest van de mensheid zich zou moeten verlagen tot het niveau van zijn literaire smaak, zijn technische capaciteiten en zijn inkomen. Waarden worden niet bepaald door een besluit, noch door stemming bij meerderheid).

Zoals het aantal aanhangers geen bewijs is van de waarheid of onwaarheid van een idee, van de verdienste of onwaarde van een kunstwerk, van de doelmatigheid of ondoeltreffendheid van een product, zo vertegenwoordigt de waarde van goederen of diensten op de vrije markt niet noodzakelijkerwijs hun filosofisch objectieve waarde, maar alleen hun sociaal objectieve waarde, d.w.z. de som van de individuele oordelen van alle mensen die op een bepaald moment bij de handel betrokken waren, de som van wat zij waardeerden, ieder in de context van zijn eigen leven.

Een fabrikant van lippenstift kan dus een groter fortuin verdienen dan een fabrikant van microscopen, ook al kan rationeel worden aangetoond dat microscopen wetenschappelijk gezien waardevoller zijn dan lippenstift. Maar waardevol voor wie?

Een microscoop is van geen waarde voor een kleine schrijfster die probeert de kost te verdienen; een lippenstift is dat wel; een lippenstift kan voor haar het verschil betekenen tussen zelfvertrouwen en zelftwijfel, tussen glamour en gezwoeg.

Dit betekent echter niet dat de waarden die een vrije markt beheersen subjectief zijn. Als de schrijfster al haar geld uitgeeft aan cosmetica en niets overhoudt om een microscoop (voor een bezoek aan de dokter) te betalen als zij die nodig heeft, leert zij een betere methode om haar inkomen te budgetteren; de vrije markt dient als haar leraar: zij heeft geen manier om anderen te straffen voor haar fouten. Als zij rationeel budgetteert, is de microscoop altijd beschikbaar voor haar eigen specifieke behoeften en niet meer, wat haar betreft: zij wordt niet belast om een heel ziekenhuis, een onderzoekslaboratorium, of de reis van een ruimteschip naar de maan te onderhouden. Binnen haar eigen productieve vermogen betaalt zij wel een deel van de kosten van wetenschappelijke prestaties, wanneer en naarmate zij die nodig heeft. Zij heeft geen "sociale plicht", haar eigen leven is haar enige verantwoordelijkheid - en het enige wat een kapitalistisch systeem van haar verlangt is wat de natuur van haar verlangt: rationaliteit, d.w.z. dat zij leeft en handelt naar het beste van haar eigen oordeel.

Binnen elke categorie van goederen en diensten die op een vrije markt worden aangeboden, is het de leverancier van het beste product tegen de goedkoopste prijs die de grootste financiële beloningen op dat gebied in de wacht sleept - niet automatisch, noch onmiddellijk, noch door een besluit, maar op grond van de vrije markt, die iedere deelnemer leert te zoeken naar het objectief beste binnen de categorie van zijn eigen competentie, en diegenen straft die handelen op grond van irrationele overwegingen.

Merk nu op dat een vrije markt de mensen niet nivelleert tot een gemeenschappelijke noemer - dat de intellectuele criteria van de meerderheid geen vrijemarkt of vrije samenleving beheersen - en dat de uitzonderlijke mensen, de vernieuwers, de intellectuele reuzen, niet door de meerderheid worden onderdrukt. In feite zijn het de leden van deze uitzonderlijke minderheid die de hele vrije samenleving optillen tot het niveau van hun eigen prestaties, terwijl ze steeds verder stijgen.

Een vrije markt is een continu proces dat niet kan worden stilgehouden, een opwaarts proces dat het beste (het meest rationele) van ieder mens eist en hem dienovereenkomstig beloont. Terwijl de meerderheid de waarde van de auto nog maar nauwelijks heeft ingezien, introduceert de creatieve minderheid het vliegtuig. De meerderheid leert door demonstratie, de minderheid is vrij om te demonstreren. De "filosofisch objectieve" waarde van een nieuw product dient als leermeester voor hen die bereid zijn hun rationele vermogens te gebruiken, ieder naar zijn vermogen. De onwillige blijven onbeloond - evenals zij die meer nastreven dan hun vermogen oplevert. De stagnerende, de irrationele, de subjectivisten hebben geen macht om hun meerderen tegen te houden.

(De kleine minderheid van volwassenen die niet kunnen maar ook niet willen werken, zijn aangewezen op vrijwillige liefdadigheid; tegenspoed is geen aanspraak op slavenarbeid; er bestaat niet zoiets als het recht om te consumeren, te controleren en te vernietigen zonder wie men niet in staat zou zijn te overleven. Depressies en massale werkloosheid worden niet veroorzaakt door de vrije markt, maar door overheidsbemoeienis met de economie).

De mentale parasieten - de imitators die proberen tegemoet te komen aan wat zij denken dat de smaak van het publiek is - worden voortdurend verslagen door de vernieuwers wiens producten de kennis en smaak van het publiek naar een steeds hoger niveau tillen. Het is in die zin dat de vrije markt niet door de consumenten, maar door de producenten wordt beheerst. De meest succesvolle zijn zij die nieuwe productiegebieden ontdekken, gebieden waarvan het bestaan niet bekend was.

Een bepaald product wordt misschien niet onmiddellijk gewaardeerd, vooral als het een te radicale vernieuwing is; maar, onbelangrijke ongelukken daargelaten, wint het op den duur. In die zin wordt de vrije markt niet beheerst door de intellectuele criteria van de meerderheid, die alleen op een bepaald moment gelden; de vrije markt wordt beheerst door hen die in staat zijn op lange termijn te denken en te plannen - en hoe beter het verstand, hoe groter de reikwijdte.

De economische waarde van iemands werk wordt op een vrije markt bepaald door één enkel principe: door de vrijwillige toestemming van hen die bereid zijn hem hun werk of producten in ruil te geven. Dit is de morele betekenis van de wet van vraag en aanbod; het vertegenwoordigt de totale verwerping van twee verderfelijke doctrines: de tribale premisse en het altruïsme. Zij vertegenwoordigt de erkenning van het feit, dat de mens niet het eigendom noch de dienaar van de stam is, dat de mens werkt om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien - zoals hij van nature moet doen - dat hij zich door zijn eigen rationeel eigenbelang moet laten leiden, en dat hij, als hij met anderen handel wil drijven, geen offerslachtoffers mag verwachten, d.w.z. dat hij niet mag verwachten waarden te ontvangen zonder in ruil daarvoor evenredige waarden te ruilen. Het enige criterium voor wat evenredig is, in deze context, is het vrije, vrijwillige, niet gedwongen oordeel van de handelaren.

De tribale mentaliteiten vallen dit principe van twee schijnbaar tegengestelde kanten aan: zij beweren dat de vrije markt "oneerlijk" is, zowel voor de genie als voor de gemiddelde man. Het eerste bezwaar wordt meestal uitgedrukt door een vraag als: "Waarom zou Elvis Presley meer geld verdienen dan Einstein?" Het antwoord is: Omdat de mensen werken om hun eigen leven te onderhouden en ervan te genieten - en als veel mannen waarde vinden in Elvis Presley, hebben zij het recht hun geld aan hun eigen plezier uit te geven. Presley's fortuin is niet afgenomen van degenen die niet om zijn werk geven (ik ben een van hen) noch van Einstein - noch staat hij Einstein in de weg - noch ontbreekt het Einstein aan de juiste erkenning en steun in een vrije samenleving, op een passend intellectueel niveau.

Wat betreft het tweede bezwaar, de bewering dat een man van gemiddelde bekwaamheid een "oneerlijk" nadeel ondervindt op een vrije markt.

Kijk voorbij het bereik van het ogenblik, u die roept dat u bang bent om te concurreren met mannen van superieure intelligentie, dat hun geest een bedreiging is voor uw levensonderhoud, dat de sterken geen kans laten aan de zwakken in een markt van vrijwillige handel. . . . Wanneer gij leeft in een rationele maatschappij, waar de mensen vrij zijn om handel te drijven, ontvangt gij een onberekenbare bonus: de materiële waarde van uw werk wordt niet alleen bepaald door uw inspanning, maar door de inspanning van de beste productieve geesten die er in de wereld om u heen bestaan. . .

De machine, de bevroren vorm van een levende intelligentie, is de kracht die het potentieel van uw leven uitbreidt door de productiviteit van uw tijd te verhogen. . . . Elke man is vrij om zo ver te stijgen als hij kan of wil, maar het is alleen de mate waarin hij denkt die bepaalt tot welke mate hij zal stijgen. Fysieke arbeid als zodanig kan niet verder reiken dan het bereik van het ogenblik. De man die niet meer doet dan fysieke arbeid, verbruikt het materiële waarde-equivalent van zijn eigen bijdrage aan het productieproces, en laat geen verdere waarde achter, noch voor zichzelf noch voor anderen. Maar de man die een idee produceert op elk gebied van rationele inspanning - de man die nieuwe kennis ontdekt - is de blijvende weldoener van de mensheid. . . . Het is alleen de waarde van een idee die kan worden gedeeld met een onbeperkt aantal mensen, waardoor alle deelnemers rijker worden zonder dat iemand iets hoeft op te offeren of te verliezen, en waardoor de productiecapaciteit van alle arbeid die zij verrichten wordt verhoogd. . . .

In verhouding tot de mentale energie die hij heeft besteed, ontvangt de man die een nieuwe uitvinding doet slechts een klein percentage van zijn waarde in termen van materiële betaling, ongeacht het fortuin dat hij maakt, ongeacht de miljoenen die hij verdient. Maar de man die als conciërge werkt in de fabriek waar die uitvinding wordt gedaan, ontvangt een enorme betaling in verhouding tot de geestelijke inspanning die zijn werk van hem vraagt. En hetzelfde geldt voor alle mensen daartussen, op alle niveaus van ambitie en bekwaamheid. De man aan de top van de intellectuele piramide draagt het meest bij aan allen die onder hem staan, maar krijgt niets behalve zijn materiële betaling, en ontvangt geen intellectuele bonus van anderen om aan de waarde van zijn tijd toe te voegen. De man onderaan de piramide die, als hij aan zichzelf werd overgelaten, zou verhongeren in zijn hopeloze onbekwaamheid, draagt niets bij aan degenen boven hem, maar ontvangt de bonus van al hun hersens. Dat is de aard van de "concurrentie" tussen de sterken en de zwakken van het intellect. Dat is het patroon van "uitbuiting" waarvoor u de sterken hebt verdoemd. (Atlas Shrugged)

En zo is de verhouding van het kapitalisme tot de geest van de mens en tot zijn overleven.

De geweldige vooruitgang die het kapitalisme in korte tijd heeft geboekt - de spectaculaire verbetering van de levensomstandigheden van de mens op aarde - is een historisch feit. Deze mag niet worden verborgen, omzeild of weggewuifd door alle propaganda van de vijanden van het kapitalisme. Maar wat bijzondere nadruk behoeft is het feit dat deze vooruitgang werd bereikt met niet-opofferende middelen.

Vooruitgang kan niet worden bereikt door gedwongen ontberingen, door het uitpersen van een "sociaal overschot" uit uitgehongerde slachtoffers. Vooruitgang kan alleen voortkomen uit individueel overschot, d.w.z. uit het werk, de energie, de creatieve overvloed van die mensen wier bekwaamheid meer produceert dan hun persoonlijk verbruik vereist, diegenen die intellectueel en financieel in staat zijn om het nieuwe te zoeken, het bekende te verbeteren, vooruit te gaan. In een kapitalistische maatschappij, waar zulke mensen vrij zijn om te functioneren en hun eigen risico's te nemen, is vooruitgang geen kwestie van opoffering aan een verre toekomst, maar maakt het deel uit van het levende heden, het is het normale en natuurlijke, het wordt bereikt terwijl mensen leven - en genieten - van hun leven.

Beschouw nu het alternatief - de tribale samenleving, waar alle mensen hun inspanningen, waarden, ambities en doelen in een tribale poel of gemeenschappelijke pot gooien, en dan hongerig wachten aan de rand ervan, terwijl de leider van een kliek van koks erin roert met een bajonet in de ene hand en een blanco cheque op al hun levens in de andere. Het meest consequente voorbeeld van zo'n systeem is de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken.

Een halve eeuw geleden gebood de Sovjet-heerser zijn onderdanen geduld te hebben, ontberingen te verdragen en offers te brengen ten behoeve van de "industrialisatie" van het land, met de belofte dat dit slechts tijdelijk was, dat de industrialisatie hen overvloed zou brengen, en dat de vooruitgang van de Sovjet-Unie het kapitalistische Westen zou overtreffen.

Vandaag de dag is Sovjet-Rusland nog steeds niet in staat haar bevolking te voeden, terwijl de heersers de technologische verworvenheden van het Westen proberen te kopiëren, te lenen of te stelen. Industrialisatie is geen statisch doel; het is een dynamisch proces met een snel tempo van veroudering. Dus de ellendige lijfeigenen van een geplande stammeneconomie, die verhongerden in afwachting van elektrische generatoren en tractoren, verhongeren nu in afwachting van atoomkracht en interplanetaire reizen. In een "volksstaat" is de vooruitgang van de wetenschap dus een bedreiging voor het volk, en elke vooruitgang wordt het volk uit de krimpende huiden gegrepen.

Dit was niet de geschiedenis van het kapitalisme.

De overvloed van Amerika werd niet gecreëerd door publieke offers aan het "algemeen welzijn", maar door de productieve genialiteit van vrije mannen die hun eigen persoonlijke belangen nastreefden en hun eigen privé fortuin wilden maken. Zij lieten de mensen niet verhongeren om te betalen voor de industrialisatie van Amerika. Zij gaven de mensen betere banen, hogere lonen en goedkopere goederen met elke nieuwe machine die zij uitvonden, met elke wetenschappelijke ontdekking of technologische vooruitgang - en zo ging het hele land vooruit en profiteerde, in plaats van te lijden, bij elke stap die werd gezet.

Maak echter niet de fout oorzaak en gevolg om te draaien: het welzijn van het land werd juist mogelijk gemaakt door het feit dat het aan niemand werd opgedrongen als een moreel doel of plicht; het was slechts een gevolg; de oorzaak was het recht van de mens om zijn eigen welzijn na te streven. Het is dit recht - niet de gevolgen ervan - dat de morele rechtvaardiging vormt van het kapitalisme.

Maar dit recht is onverenigbaar met de intrinsieke of de subjectivistische theorie van waarden, met de altruïstische moraal en de tribale vooronderstelling. Het is duidelijk welk menselijk attribuut men verwerpt wanneer men objectiviteit verwerpt; en, gezien de staat van dienst van het kapitalisme, is het duidelijk tegen welk menselijk attribuut de altruïstische moraal en de tribale premisse zich verenigen: tegen het verstand van de mens, tegen intelligentie - in het bijzonder tegen intelligentie toegepast op de problemen van het menselijk overleven, d.w.z. het productieve vermogen.

Terwijl het altruïsme intelligentie van haar beloningen wil beroven, door te stellen dat het de morele plicht is van bekwame mensen om onbekwame mensen te dienen en zich op te offeren aan ieders nood, gaat de tribale premisse nog een stap verder: zij ontkent het bestaan van intelligentie en van haar rol in de productie van rijkdom.

Het is moreel obsceen om rijkdom te beschouwen als een anoniem, tribaal product en te spreken over het "herverdelen" ervan. De opvatting dat rijkdom het resultaat is van een of ander ongedifferentieerd, collectief proces, dat we allemaal iets gedaan hebben en het onmogelijk is om te zeggen wie wat gedaan heeft, en dat daarom een soort gelijkwaardige "verdeling" noodzakelijk is - zou gepast kunnen zijn geweest in een oerwoud met een woeste horde die rotsblokken verplaatste door middel van ruwe fysieke arbeid (hoewel zelfs daar iemand het initiatief moest nemen en het verplaatsen moest organiseren). Deze opvatting aanhangen in een industriële samenleving - waar individuele prestaties openbaar zijn - is zo'n grove uitvlucht dat zelfs het geven van het voordeel van de twijfel een schande is.

Iedereen die ooit werkgever of werknemer is geweest, of mensen aan het werk heeft gezien, of zelf een dag hard gewerkt heeft, kent de cruciale rol van bekwaamheid, van intelligentie, van een geconcentreerde, competente geest in alle soorten werk, van het laagste tot het hoogste. Hij weet dat bekwaamheid of het gebrek daaraan (of het gebrek nu werkelijk of vrijwillig is) een verschil maakt van leven of dood in elk produktief proces. Het bewijs is zo overweldigend - theoretisch en praktisch, logisch en "empirisch", in de gebeurtenissen van de geschiedenis en in iemands eigen dagelijkse sleur - dat niemand kan beweren er niet van op de hoogte te zijn. Fouten van deze omvang worden niet onschuldig gemaakt.

Wanneer grote industriëlen fortuinen vergaarden op een vrije markt (d.w.z. zonder het gebruik van geweld, zonder hulp of inmenging van de overheid), creëerden zij nieuwe rijkdom - zij namen die niet af van hen die ze niet hadden gecreëerd. Als u daaraan twijfelt, kijk dan eens naar het "totale sociale product" - en de levensstandaard - van die landen waar zulke mensen niet mogen bestaan.

Kijk hoe zelden en hoe gebrekkig de kwestie van de menselijke intelligentie wordt besproken in de geschriften van de tribaal-staatistisch-altruïstische theoretici. Kijk hoe zorgvuldig de huidige voorstanders van een gemengde economie elke vermelding van intelligentie of bekwaamheid vermijden en ontwijken in hun benadering van politiek-economische kwesties, in hun claims, eisen en pressiegroep-oorlogvoering over de plundering van "het totale sociale product".

Er wordt vaak gevraagd: Waarom werd het kapitalisme vernietigd, ondanks zijn onvergelijkbaar heilzame staat van dienst? Het antwoord ligt in het feit dat de levensader die elk sociaal systeem voedt, de dominante filosofie van een cultuur is en dat het kapitalisme nooit een filosofische basis had. Het was het laatste en (theoretisch) onvolledige product van een Aristotelische invloed. Toen de filosofie in de negentiende eeuw werd overspoeld door een oplevende stroom van mystiek, bleef het kapitalisme achter in een intellectueel vacuüm, zijn levensader doorgesneden. Noch zijn morele aard, noch zelfs zijn politieke principes waren ooit volledig begrepen of gedefinieerd. De zogenaamde verdedigers van het kapitalisme beschouwden het als verenigbaar met overheidscontrole (d.w.z. overheidsbemoeienis met de economie) en negeerden de betekenis en de implicaties van het begrip laissez-faire. Wat er in de negentiende eeuw in de praktijk bestond, was dus geen zuiver kapitalisme, maar een gemengde economie. Aangezien controles nog meer controles noodzakelijk maken en voortbrengen, was het het staatistische element van de mengsels dat hen te gronde richtte; het was het vrije, kapitalistische element dat de schuld kreeg.

Het kapitalisme kon niet overleven in een cultuur die gedomineerd werd door mystiek en altruïsme, door de dichotomie ziel-lichaam en de tribale premisse. Geen enkel sociaal systeem (en geen enkele menselijke institutie of activiteit van welke aard dan ook) kan overleven zonder een morele basis. Op basis van de altruïstische moraal moest het kapitalisme van meet af aan verdoemd zijn - en was het dat ook.

Voor degenen die de rol van de filosofie in politiek-economische kwesties niet volledig begrijpen, bied ik - als het duidelijkste voorbeeld van de huidige intellectuele toestand - nog enkele citaten aan uit het artikel over kapitalisme in de Encyclopaedia Britannica.

Weinig waarnemers zijn geneigd kritiek te leveren op het kapitalisme als motor van de productie. De kritiek komt meestal voort uit morele of culturele afkeuring van bepaalde kenmerken van het kapitalistische systeem, of uit de wisselvalligheden op korte termijn (crises en depressies) waarmee de verbetering op lange termijn wordt afgewisseld.

De "crises en depressies" werden veroorzaakt door overheidsbemoeienis, niet door het kapitalistische systeem. Maar wat was de aard van de "morele of culturele afkeuring"? Het artikel vertelt het ons niet expliciet, maar geeft een welsprekende aanwijzing:

Maar zowel de tendensen als de realisaties [van het kapitalisme] dragen het onmiskenbare stempel van de belangen van de zakenman en nog meer van het type geest van de zakenman. Bovendien was het niet alleen de politiek, maar ook de filosofie van het nationale en individuele leven, het schema van culturele waarden, die dat stempel droegen. Het materialistische utilitarisme, het naïeve vertrouwen in de vooruitgang van een bepaald type, de feitelijke prestaties op het gebied van de zuivere en toegepaste wetenschap, het temperament van de artistieke creaties, alles is terug te voeren op de geest van het rationalisme die uitgaat van het kantoor van de zakenman.

De auteur van het artikel, die niet "naïef" genoeg is om te geloven in een kapitalistische (of rationele) vorm van vooruitgang, gelooft blijkbaar anders:

Aan het eind van de Middeleeuwen stond West-Europa ongeveer op het punt waar veel onderontwikkelde landen in de 20e eeuw staan. [Dit betekent dat de cultuur van de Renaissance ongeveer gelijk was aan die van het huidige Congo; of anders betekent het dat de intellectuele ontwikkeling van mensen niets te maken heeft met economie]. In onderontwikkelde economieën bestaat de moeilijke taak van het staatsmanschap erin een cumulatief proces van economische ontwikkeling op gang te brengen, want als eenmaal een zeker momentum is bereikt, lijken verdere vorderingen min of meer automatisch te volgen.

Een dergelijke opvatting ligt ten grondslag aan elke theorie van een planeconomie. Het is op grond van zo'n "geraffineerd" geloof dat twee generaties Russen zijn omgekomen, in afwachting van automatische vooruitgang.

De klassieke economen probeerden een tribale rechtvaardiging van het kapitalisme op grond van het feit dat het de beste "toewijzing" van de "middelen" van een gemeenschap biedt. Boontje komt om zijn loontje

De markttheorie van de toewijzing van middelen binnen de privésector is het centrale thema van de klassieke economie. Het criterium voor de verdeling tussen de openbare en de particuliere sector is formeel hetzelfde als bij elke andere verdeling van middelen, namelijk dat de gemeenschap evenveel voldoening moet krijgen van een marginale toename van de middelen die in de openbare en de particuliere sfeer worden gebruikt. . . . Veel economen hebben beweerd dat er substantieel, misschien overweldigend, bewijs is dat de totale welvaart in bijvoorbeeld de kapitalistische Verenigde Staten zou toenemen door een herverdeling van middelen naar de publieke sector - meer schoollokalen en minder winkelcentra, meer openbare bibliotheken en minder auto's, meer ziekenhuizen en minder bowlingbanen.

Dit betekent dat sommige mensen hun hele leven moeten zwoegen zonder adequaat vervoer (auto's), zonder een adequaat aantal plaatsen om de goederen te kopen die zij nodig hebben (winkelcentra), zonder de genoegens van ontspanning (bowlingbanen) - opdat andere mensen kunnen beschikken over scholen, bibliotheken, en ziekenhuizen.

Als u de uiteindelijke resultaten en de volledige betekenis wilt zien van de tribale opvatting van rijkdom - de totale vernietiging van het onderscheid tussen particuliere actie en overheidsactie, tussen productie en dwang, de totale vernietiging van het concept van "rechten", van de werkelijkheid van de individuele mens, en de vervanging daarvan door een opvatting van de mens als inwisselbaar lastdier of "productiefactor" - bestudeer dan het volgende:

Het kapitalisme heeft om twee redenen een vooroordeel tegen de publieke sector. Ten eerste komen alle producten en inkomsten [?] in eerste instantie toe aan de private sector, terwijl de middelen de publieke sector bereiken via het pijnlijke proces van belastingheffing. Aan de behoeften van de overheid wordt slechts voldaan door het lijden van de consumenten in hun rol van belastingbetalers [hoe zit het met de producenten?], wier politieke vertegenwoordigers zich terdege bewust zijn van de tere gevoelens [!] van hun kiezers over belastingen. Dat mensen beter dan regeringen weten wat ze met hun inkomen moeten doen, is een aantrekkelijker idee dan het tegenovergestelde, namelijk dat mensen meer krijgen voor hun belastinggeld dan voor andere soorten uitgaven. [Door welke waardenleer? Door wiens oordeel?] ...

Ten tweede, de druk van private ondernemingen om te verkopen leidt tot het formidabele arsenaal van moderne verkooptechnieken die de keuze van de consument beïnvloeden en de waarden van de consument beïnvloeden in de richting van private consumptie.... [Dit betekent dat uw verlangen om het geld dat u verdient uit te geven in plaats van het u te laten afnemen, slechts een vooroordeel is]. Vandaar dat veel particuliere uitgaven gaan naar behoeften die niet erg dringend zijn in enige fundamentele zin. [Dringend voor wie? Welke behoeften zijn "fundamenteel," behalve een grot, een berenvel, en een stuk rauw vlees?] Het gevolg is dat vele openbare behoeften verwaarloosd worden omdat deze oppervlakkige privé-behoeften, kunstmatig gegenereerd, met succes wedijveren om dezelfde middelen. [Wiens middelen?] ...

Een vergelijking van de toewijzing van middelen aan de openbare en de private sector onder kapitalisme en onder socialistisch collectivisme is verhelderend. [In een collectieve economie zijn alle middelen werkzaam in de publieke sector en beschikbaar voor onderwijs, defensie, gezondheid, welzijn en andere publieke behoeften zonder enige overdracht via belastingen. Particuliere consumptie is beperkt tot de vorderingen die zijn toegestaan [door wie?] op het sociale product, net zoals openbare diensten in een kapitalistische economie beperkt zijn tot de vorderingen die zijn toegestaan op de particuliere sector. [In een collectieve economie genieten de openbare behoeften dezelfde soort ingebouwde voorrang die de particuliere consumptie geniet in een kapitalistische economie. In de Sovjet-Unie zijn leraren in overvloed aanwezig, maar auto's zijn schaars, terwijl in de Verenigde Staten de omgekeerde situatie heerst.

Hier is de conclusie van dat artikel:

Voorspellingen over het voortbestaan van het kapitalisme zijn voor een deel een kwestie van definitie. Overal in kapitalistische landen zie je een verschuiving van economische activiteit van de private naar de publieke sfeer. . . . Tegelijkertijd [na de Tweede Wereldoorlog] leek de particuliere consumptie voorbestemd om toe te nemen in communistische landen. [De twee economische systemen leken naar elkaar toe te groeien door veranderingen die uit beide richtingen convergeerden. Toch bestonden er nog aanzienlijke verschillen in de economische structuren. Het leek redelijk om aan te nemen dat de maatschappij die meer in mensen investeerde, sneller vooruit zou gaan en de toekomst zou erven. In dit belangrijke opzicht lijdt het kapitalisme, in de ogen van sommige economen, onder een fundamenteel maar niet onontkoombaar nadeel in de concurrentiestrijd met het collectivisme.

De collectivisering van de Sovjet-landbouw kwam tot stand door middel van een door de regering geplande hongersnood die opzettelijk werd gepland en uitgevoerd om de boeren te dwingen collectieve boerderijen op te richten; de vijanden van Sovjet-Rusland beweren dat vijftien miljoen boeren in die hongersnood zijn omgekomen; de Sovjetregering geeft de dood van zeven miljoen toe.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog beweerden de vijanden van Sovjet-Rusland dat dertig miljoen mensen dwangarbeid moesten verrichten in de Sovjet-concentratiekampen (en stierven aan geplande ondervoeding, waarbij mensenlevens goedkoper waren dan voedsel); de verdedigers van Sovjet-Rusland geven het cijfer van twaalf miljoen mensen toe.

Dit is wat de Encyclopaedia Britannica "investeren in mensen" noemt. In een cultuur waar een dergelijke uitspraak wordt gedaan met intellectuele straffeloosheid en met een aura van morele gerechtigheid, zijn de schuldigen niet de collectivisten; de schuldigen zijn zij die, zonder de moed om mystiek of altruïsme te betwisten, proberen de kwesties van rede en moraal te omzeilen en het enige rationele en morele systeem in de geschiedenis van de mensheid - kapitalisme - te verdedigen op andere dan rationele en morele gronden.

Als je meer wilt lezen aarzel niet om het originele boek: Capitalism: The Unknown Ideal,  aan the schaffen waar je de originele tekst en andere essays kunt vinden over de waarde van het Kapitalisme.